| 21357 |
bekvechten |
muilvechten:
moelvechte (Q016p Lutterade),
stechelen:
stächele (Q016p Lutterade)
|
redetwisten [SGV (1914)] || ruzie maken door woorden [afstrijden, rikrooien, kerwee hebben, strijden, muilvech-ten, smoelvechten, opstrijden] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 25075 |
belangrijk, van belang |
van belang:
van belank (Q016p Lutterade)
|
van grote betekenis [van belang, van pretansie] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 21715 |
belasting |
accijns (<lat.):
acciens (Q016p Lutterade)
|
de verplichting tot het betalen van een geldelijke bijdrage in de lasten van de overheid [tijns, cijns, belasting, taks] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21716 |
belastingbiljet |
belastingbrief:
belastingbreef (Q016p Lutterade)
|
het biljet waarop vermeld staat hoeveel belasting iemand moet betalen [lastenbrief, brandbrief, binnenboek] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 29051 |
beleg |
belegsel:
bǝlęqsǝl (Q016p Lutterade),
stijflijnen:
štīflinǝ (Q016p Lutterade)
|
Stuk stof waarmee sommige delen van een kledingstuk ter versterking belegd worden of het stofdeel dat gebruikt wordt om de rafelkanten van een kledingstuk af te werken op plaatsen als de hals, het armsgat en sluitingen voor en achter. Er worden drie categorieën beleg onderscheiden: beleg op vorm, aangeknipt beleg, dat in wezen een soort beleg op vorm is, en schuingeknipt beleg (Het Beste Naaiboek, pag. 192). Een beleg op vorm bestaat meestal uit verschillende stukken die geknipt worden in de vorm van het deel dat ermee wordt afgewerkt. De afzonderlijke stukken worden aan elkaar genaaid, zodat ze een compleet belegstuk vormen dat langs de rafelkant wordt genaaid. Een aangeknipt beleg is een verlengstuk van het kledingstuk. Een schuin beleg is een smalle bies van schuingeknipte dunne stof die in de vorm kan worden gestreken voor het af te werken deel (Het Beste Naaiboek, pag. 192). [N 59, 114a; N 62, 32; Gi 1.IV, 33; MW]
II-7
|
| 23951 |
belofte |
belofte:
ein belofte (Q016p Lutterade)
|
Een belofte. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23199 |
beloken pasen |
beloken pasen:
beloake poasche (Q016p Lutterade),
gebroken pasen:
gebroake Poasche (Q016p Lutterade)
|
beloken Paschen [SGV (1914)] || De eerste zondag na Pasen, Beloken Pasen, de laatste dag dat men zijn Paasplicht kon vervullen [gebroke Paose, Wiesse Zóndiech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 21464 |
beloven |
beloven:
beloave (Q016p Lutterade)
|
beloven [gelaove, belaove] [N 96D (1989)]
III-3-1
|
| 32572 |
bemesten |
mesten:
męstǝ (Q016p Lutterade)
|
De in dit lemma opgenomen woorden betekenen "mest in het land doen, het land vruchtbaar maken met stalmest". Ze worden doorgaans gebruikt in combinatie met "akker", "(stuk) land" e.d., ook al is dit object - behoudens een enkele uitzondering - bij de onderstaande woordtypen er niet bij vermeld. Voor mesten in de zin van "mest naar het land brengen" en "mest over het land uitspreiden" zie men de lemmata mest uitrijden en mest verspreiden. [JG 1a + 1b; N 11, 14; N 11A, 1; L 1a -m; L 31, 18; S 23; mongr.]
I-1
|
| 25103 |
benauwd en vochtig weer |
benauwd (weer):
benauwd (Q016p Lutterade),
benauwd weer (Q016p Lutterade),
broeierig (weer):
breujetig wéér (Q016p Lutterade),
drukkend (weer):
drukkend (Q016p Lutterade)
|
drukkend warm, gezegd van het weer [zwoel, mof, zoel, flauw, smoel] [N 81 (1980)] || sterke, overmatige warmte, hoge temperatuur van de lucht [heet, hitte, hitse] [N 81 (1980)] || warm, benauwd en vochtig weer (in de zomer) [bederfelijk, voos, smoel, zoel, zuul, broejerig, luimerig, mottig, moddelwarm, zomig] [N 22 (1963)]
III-4-4
|