| 18134 |
snijwonde |
snee:
sjnee (Q016p Lutterade),
vats:
vatsj (Q016p Lutterade)
|
Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (sleuf, kreeuw, vil, slip, schorp, krab). [N 84 (1981)] || Wond: letsel, kwetsuur (blessure, wats, gorre). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21450 |
snipper |
snipper:
sjnöpper (Q016p Lutterade)
|
een afgesneden, afgeknipt of afgescheurd stukje papier of stof [snipper, stoike, schreudje, schroodje, snippeling] [N 91 (1982)]
III-3-1
|
| 20590 |
snoepen |
slokken:
schlokke (Q016p Lutterade)
|
snoepen [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 20549 |
snoepgoed |
lekkers:
lekkersj (Q016p Lutterade),
slok:
sjlŏk (Q016p Lutterade),
slokkerij:
sjlökkerie (Q016p Lutterade)
|
snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20550 |
snoepje |
babbeltje:
bebbelke (Q016p Lutterade),
lekkers:
lekkersj (Q016p Lutterade),
slok:
sjlŏk (Q016p Lutterade)
|
snoepje; Hoe noemt U: Een stukje snoepgoed (babbeltje, snoepje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33996 |
snoer |
klatsool:
klatšǭl (Q016p Lutterade)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|
| 17753 |
snor |
snor:
schnor (Q016p Lutterade)
|
snorbaard [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 25048 |
snorren |
snorren:
sjnorre (Q016p Lutterade)
|
een ruisend-brommend geluid maken, gezegd van bijv. een kacheltje [snorren, snorzen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18026 |
snotneus |
snotnaas:
snootnaas (Q016p Lutterade),
wijsnaas:
wiesnaas (Q016p Lutterade)
|
een kind dat zich met zaken bemoeit en daarover een mening geeft, waarvoor het nog te jong is [snotneus, snotter, aap, koetneus, plathoek] [N 85 (1981)] || snotneus [snooterbel, sjoetsnaas] [N 06 (1960)]
III-1-4
|
| 18027 |
snotteren |
snotteren:
sjnootere (Q016p Lutterade)
|
Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snitteren, snutten). [N 84 (1981)]
III-1-2
|