| 22729 |
kameel |
kameel:
kemiël (L377p Maasbracht)
|
kameel: Hoe noemt u in uw dialect het grote zoogdier dat twee bulten op de rug heeft en in de woestijn leeft? [N 100 (1997)]
III-3-2
|
| 18564 |
kamerjas |
sjamberloek:
[Van Dale: sjamberloek (<Hd. < Turks yagmurlyk, regenmantel), kamerjapon voor heren, wijde huisjas met ceintuur]
sjamberloek (L377p Maasbracht)
|
kamerjas [sjamberloe] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 29778 |
kamers |
kamers:
kāmǝrs (L377p Maasbracht)
|
De ruimtes die met behulp van de schuiven in de stookgang worden gecrëerd. De hoeveelheid kamers van een ringoven wordt bepaald door het aantal poorten in de buitenmuur. In de kamers worden de te bakken stenen geplaatst. In Q 83 bevatte één kamer ongeveer 28.000 stenen. [N 98, 128; N 98, 150; monogr.]
II-8
|
| 24509 |
kamille (alg.) |
kamille:
-
kemilj (L377p Maasbracht),
Matricaria L. of Anthemis L.
kemilj (L377p Maasbracht),
Matricaria L. of Anthemis L. o.g.v. vraag 004.
kemilj (L377p Maasbracht)
|
kamille [DC 50 (1975)], [DC 50 (1975)], [DC 50 (1975)]
III-4-3
|
| 18638 |
kamizool |
kamizool (<fr.):
betekenis: borstrok met mouwen
kammezool (L377p Maasbracht)
|
kamizool, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18724 |
kammen |
kammen:
kammen (L377p Maasbracht),
keime (L377p Maasbracht),
wie ich het wol keime ging miene kamp kepot (L377p Maasbracht),
wie ichut wōl keime ging miene kamp kepot (L377p Maasbracht)
|
De tanden van het aswiel in wind- en watermolen. De tanden van het aswiel zijn in het algemeen vervaardigd van een harde of taaie houtsoort. Verscheidene zegslieden vermelden dan ook het gebruik van beukehout. In de meeste watermolens was het (houten) rondsel aan het uiteinde van het staakijzer meestal vervangen door een (metalen) kamwiel. De benamingen voor de tanden van dit kamwiel zijn eveneens hieronder opgenomen. Zie ook het lemma ɛstavenɛ.' [N O, 11l; Vds 91; Vds 92; Jan 101; Coe 80; Coe 83; Grof 106; A 42A, 12] || kammen (ww.) [SGV (1914)] || Kammen. Toen ik ’t wou kammen ging mijn kam stuk. [DC 39 (1965)]
II-3, III-1-3
|
| 21173 |
kanaal |
maas:
maas (L377p Maasbracht)
|
vaart: Die vaart, dat meer is ondiep (met vaart wordt bedoeld een water dat ter bevaring dient....) [DC 20 (1951)]
III-3-1
|
| 19578 |
kandelaar |
kaarsenluchter:
kaese-luchter (L377p Maasbracht),
kaarseluchter veel in gebruik
kè-seluchter (L377p Maasbracht)
|
Hoe noemt u een kandelaar? (kandelaber) [N 104 (2000)] || lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19109 |
kans |
kans:
kans (L377p Maasbracht)
|
kans: Als hij - ziet zal hij proberen je te bedriegen [DC 35 (1963)]
III-1-4
|
| 33116 |
kap aan de vlegelknuppel |
kap:
kap (L377p Maasbracht)
|
In tegenstelling tot de kap aan de vlegelstok die van ijzer is, is de kap aan het slaghout van leer. De meest voorkomende vorm van deze kap is een zeer stevig stuk taai varkensleer (in Q 9: van ezelleer); aan de uiteinden zitten enkele gaatjes, waar een leren veter doorheen wordt gehaald waarmee de kap, met een lus, om de vlegelknuppel wordt vastgesnoerd. Daartoe zijn in de enigszins afgeplatte kant van de knuppel enkele (doorgaans drie) inkepingen gemaakt waar de veters doorheen lopen. Zie afbeelding 10, d. In L 286 tekent de zegsman een vlegelknuppel met een gat erin, waardoor de vlegelband loopt. [N 14, 3b, 3d en 3e; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|