| 18293 |
kapmantel |
caban (fr.):
kaban (L377p Maasbracht)
|
schoudermantel, lange ~ zonder mouwen maar met een kap [kapmantel, kabang, kaban, foek, hoek, schommantel] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18176 |
kapothoedje |
kapothoedje (<fr.):
kepotheudje (L377p Maasbracht)
|
kepothoedje, kaputje, in de betekenis van hoofddeksel; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18691 |
kapotjas |
kapotjas (<fr.):
kapotjas (L377p Maasbracht)
|
kapotjas, in de betekenis van kostuum(onderdeel); betekenis/uitspraak [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33279 |
kapucijner, velderwt |
velderwten:
vɛltjɛrtǝ (L377p Maasbracht)
|
Pisum sativum L. subsp. arvense (L.) A. et G. De meest geteelde variëteit van de veld- of akkererwten is wel de kapucijner met grauwe gedeukte erwten, die na het koken geheel bruin worden. Bij de opgave struikerwt wordt aangetekend: "men heeft hiervoor geen rijshouten nodig, zoals in de moestuin". Voor struu "stro" zie aflevering I.4, lemma Stro. [N P, 24a en 24b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 21760 |
kar |
kar:
kɛr (L377p Maasbracht)
|
Algemene benaming voor een voertuig met twee wielen (in Haspengouw mogelijk ook drie wielen, maar die zijn zeldzaam) met een lamoen waarin een paard gespannen wordt. Meestal wordt het gebruikt om lasten van enige omvang te vervoeren. Vroeger had de kar over het algemeen houten wielen, maar in de jaren na de tweede wereldoorlog werden die geleidelijk aan vervangen door wielen met luchtbanden. [N 17, add; A 2, 55; Wi 14; Gi, 15; S 17; L 1a-m; L 27, 28; R 12, 23; RND, 74; JG 1b; N 17, 4; monogr.]
I-13
|
| 18944 |
karakter (aard) |
aard:
aart (L377p Maasbracht),
karakter:
karakter (L377p Maasbracht)
|
aard (karakter) [SGV (1914)] || karakter [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 20784 |
karbonade |
varkensrib:
verkesrup (L377p Maasbracht)
|
gebraden varkensrib (karbonade) [DC 30 (1958)]
III-2-3
|
| 20653 |
karnemelk |
botermelk:
botǝrmęlk (L377p Maasbracht),
botǝrmɛlk (L377p Maasbracht),
butǝrmęlǝq (L377p Maasbracht)
|
De voeistof die van de room overblijft als de boter gemaakt is. Op de kaart is het woordtype botermelk niet opgenomen. [L 1u, 103; L 27, 30; JG 1a, 1b; R 3, 49 en 71; S 17; S 23 add.; A 7, 16; RND 100; Gwn 10, 3; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 20672 |
karnemelksepap |
botermelkpap:
bótermelkpap (L377p Maasbracht)
|
Karnemelksepap (mölkepap, mölkezuip, zuipe?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34249 |
karnen |
draaien:
drɛi̯ǝ (L377p Maasbracht),
drɛ̄i̯ǝ (L377p Maasbracht),
stoten:
stoatǝ (L377p Maasbracht),
stǭatǝ (L377p Maasbracht)
|
Het op en neer bewegen van de vetdeeltjes in de melk of room, zodat deze zich aan elkaar hechten en op die manier boter vormen. Boter maken. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [S 17; L 1a-m; L 1u, 114; L 6, 7; L 22, 8; L 27, 68; A 7, 23; A 28, 7; Ge 22, 8; Vld.; monogr.; add. uit N 12; A 16; S]
I-11
|