| 33414 |
eendenhok |
eendenhok:
ēŋǝ(n)hǫk (L267p Maasbree)
|
Afgeschotte ruimte in de stal, doorgaans vlak bij de kippenkooi, waar men eenden houdt. [A 10, 9j]
I-6
|
| 34400 |
eenmaal geschoren schaap |
schaap:
sxǭp (L267p Maasbree)
|
Vergelijk ook het lemma SCHAAP (2.1.1). [schaap met 6 tanden; heeft de mond vol]
I-12
|
| 18851 |
eenvoudig |
eenvoudig:
ēenvoudig (L267p Maasbree),
gewoon:
gewoën (L267p Maasbree),
gewōēn (L267p Maasbree)
|
eenvoudig [SGV (1914)] || zonder overdaad, weelde of vertoon, niet voornaam [bedest, gewoon, eenvoudig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21517 |
eenzaam |
alleen:
allein (L267p Maasbree),
eenzaam:
einzaam (L267p Maasbree)
|
alleen, zonder gezelschap; ver van mensen verwijderd [eenlijk, eendelijk, allenig, enig, eens] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 18960 |
eerlijk |
eerlijk:
ierlijk (L267p Maasbree),
ierlik (L267p Maasbree),
iërlik (L267p Maasbree)
|
eerlijk: Jullie moeten die snoepjes - delen [DC 39 (1965)] || zonder leugen en bedrog [treffelijk, eerlijk] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22330 |
eerlijk in het spel |
eerlijk:
ieerlik (L267p Maasbree),
irleͅik (L267p Maasbree)
|
Eerlijk in het spel [reins, greins, eerlijk]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 24010 |
eerste communie |
eerste communie (<lat.):
ierste kommunie (L267p Maasbree)
|
De eerste H. Communie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24043 |
eerste mis van de neomist |
eerste mis:
ierste mès (L267p Maasbree)
|
De eerste H. Mis van de Neomist in de parochie van herkomst [priemiets, ieësjte maes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23782 |
eerste zondag van de vasten |
eerste zondag van de vasten:
ierste zonnig van de vaste (L267p Maasbree)
|
De eerste zondag van de vasten (Fakkelzondag, walmenzondag). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 24972 |
eerstvolgend, ernaast |
naast:
naost (L267p Maasbree)
|
eerstvolgend, direct op een genoemde volgend [naast] [N 91 (1982)]
III-4-4
|