| 20553 |
boterkussentje |
boterbabbeltje:
bôtterbabbeltje (L267p Maasbree),
spek:
spek (L267p Maasbree)
|
boterkussentje; Hoe noemt U: Een met boter bereid snoepje (boterkussentje, kokkien, suikerspek) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19517 |
botervlootje |
botervlootje:
booter-vlujetje (L267p Maasbree)
|
botervlootje [DC 23 (1953)]
III-2-1
|
| 33644 |
bouwland |
land:
laŋk (L267p Maasbree),
veld:
fęlt (L267p Maasbree),
vɛlt (L267p Maasbree)
|
Voor de akkerbouw gebruikt land, het geheel van akkers. [N 6, 33a; N 27, 3a; N 5AøIIŋ, 95a, 95b en 95c; N 11, 1a; L 31, 18; L 19, 1a; L 37, 11b; L a1, 113; L 4, 38; JG 1a, 1b; A 3, 38; A 10, 4; A 20, 1b; Wi 7; S 49; RND 4, 7, 8 en 10, r.37; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 32729 |
bouwvoor |
bouwvoor:
bǫu̯[voor] (L267p Maasbree),
de voor:
dǝ [voor] (L267p Maasbree),
nerf/erf:
ǝt˱ ɛrǝf (L267p Maasbree)
|
De bouwvoor of teellaag van akker- en tuingrond is de door regelmatig ploegen of spitten en bemesten vruchtbaar gemaakte humusrijke bovenlaag, waarin de gewassen wortel schieten. De dikte van deze laag komt overeen met de diepte van de geploegde of gespitte zaaivoor. Van de opgesomde termen zijn er sommige ook toepasselijk op een bepaalde (goede) grondsoort of op vruchtbare grond in het algemeen. [N 27, 26a + b; N 11A, 129f + 137a; A 47, 4d]
I-1
|
| 30925 |
bovenbies |
boordbandje:
bōrtbɛntjǝ (L267p Maasbree)
|
De bies die aan de binnenzijde aan de bovenkant bij het inschot in een schoen aangebracht wordt. Volgens de informant van L 163a is de bovenbies de bies over de voorst of vörst van de schoen. Zie afb. 23. [N 60, 18e]
II-10
|
| 18487 |
bovenbies [wld ii.10, p. 26] |
boordbandje:
boordbendjes (L267p Maasbree)
|
Kent u de woorden bovenbies (tek. 18e) en rugbies (18e2)? Wat bedoelt men ermee? Hoe spreekt u het uit? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 26306 |
bovenbonkelaar |
bonkelaar:
bonkelaar (L267p Maasbree)
|
De bonkelaar aan de bovenzijde van de koning dat bij sommige Hollandse molens de wieg vervangt. [N O, 50g; Sch 39a; A 42A, 103; monogr.; A 42A, 11; A 42A, 11 add.]
II-3
|
| 24719 |
boveneinde van de stam |
top:
Venlo e.o.
toep (L267p Maasbree),
topje:
WLD
tuupke (L267p Maasbree)
|
Het dunne uiteinde van de stam, bovenaan (top, kop, topeind). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 30325 |
bovenlicht |
bovenlicht:
bōvǝlēxt (L267p Maasbree)
|
Zie kaart. Met de term 'bovenlicht' kan zowel een vast raam boven een (voor)deur als het al dan niet naar binnen openklappend bovenste deel van een raam worden bedoeld. De woordtypen 'waaier', 'waai', 'spinnekop', 'deurlicht' en 'deurvenster' duiden specifiek een vast raam boven een deur aan. [S 4; L 1 a-m; L 22, 10; L B1, 170; N 55, 54a; A 46, 10a, add.; A 46, 10c; A 49, 10; monogr.]
II-9
|
| 25076 |
bovenmate, hevig, zeer |
falikant:
faliekant (verkiejert) (L267p Maasbree)
|
faliekant [SGV (1914)]
III-4-4
|