| 23470 |
de zondag inluiden |
zondag luiden:
zonnig luuje (L267p Maasbree)
|
Het luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus [zondag luiden, de zondag inluiden?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25312 |
decimeter, maat van 10 cm |
decimeter:
desimaeter (L267p Maasbree)
|
de maat die een lengte van 10 cm aangeeft, 1/10 deel van een meter [sol, palm, decimeter] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 30570 |
decoratieschilder |
sierschilder:
sīrsxeldǝr (L267p Maasbree)
|
Schilder die zich in het bijzonder bezig houdt met het schilderen van versieringen. Tot zijn werkzaamheden behoren onder meer het schabloneren, biezentrekken, spatten, glaceren, etc. [N 67, 98b]
II-9
|
| 25548 |
deeg kneden |
kneden:
knē̜jǝ (L267p Maasbree),
mengen:
meŋǝ (L267p Maasbree)
|
Bepaalde grondstoffen t.w. bloem, gist, zout, vocht vormen het deeg. Eventueel worden er nog andere toevoegingen bijgevoegd. Dit deeg gaat men kneden om een massa te verkrijgen waarin de verschillende grondstoffen in de juiste verhouding zo volkomen en gelijkmatig mogelijk dooreengemengd zijn (Schoep blz. 90-91). Naast "kneden met de hand" komt voor "kneden met de voeten" of kneden met de deegmachine". De informant van L 428 merkt op dat "mengelen" het mengen der diverse ingrediënten inhoudt en het eigenlijk kneden ''knē̜jǝ'' is. In dit lemma wordt het object "deeg" niet fonetisch gedocumenteerd. Bij documentatie zou de meest voorkomende variant dęjx zijn geweest. Daarnaast zouden er nog varianten voorkomen als dēx, dē.x, dējx, dē̜k, dē.jx, tī.x, dījx, dix, dīx en di.x.' [N 29, 20b; N 6, 47; S 18; L 1a-m: monogr.; L 22, 41]
II-1
|
| 18910 |
degelijk |
grondig:
grundig (L267p Maasbree),
terdege:
terdeig (L267p Maasbree)
|
degelijk te werk gaand zodat men erop kan vertrouwen [tedeeg, grondig] [N 85 (1981)] || grondig [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 19396 |
deken |
deken:
deke (L267p Maasbree)
|
Een deken, een geestelijke die belast is met het toezicht over enige parochies [däken]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24076 |
dekenaat |
dekenaat (<fr.):
dekenaat (L267p Maasbree)
|
Een dekenaat. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24407 |
dekken |
dekken:
dèkke (L267p Maasbree),
dękǝ (L267p Maasbree),
WLD
dekke (L267p Maasbree)
|
Het dekken van het vrouwelijk schaap door de ram. [N 77, 34; N 77, 33; JG 1a, 1b] || Hoe noemt u het vrouwelijke dier bevruchten (dekken, rijden, springen, remmelen) [N 83 (1981)]
I-12, III-4-2
|
| 34253 |
deksel van de karnton |
deksel:
dęksǝl (L267p Maasbree)
|
Deksel met een opening voor de karnstaf. [A 7, 21; JG 1a, 1b; Ge 22, 38; N 12, add.]
I-11
|
| 34408 |
dektuig |
dekblok:
dękblǫk (L267p Maasbree),
deklap:
dęklap (L267p Maasbree),
dektuig:
dęktȳx (L267p Maasbree)
|
Het dektuig is een lapje of een krijtblok of iets dergelijks dat ervoor zorgt, dat men kan zien welk schaap door de ram gedekt is. Men bindt de bok een zakje met krijt of kleursel onder zijn buik. Als de bok gedekt heeft, wordt het krijt vochtig en wordt het gedekte schaap op het kruis gekleurd, zodat het als "gedekt" herkenbaar is. [N 77, 37]
I-12
|