| 31138 |
drievoet |
driepoot:
drę̄jpuǝt (L267p Maasbree)
|
De ijzeren driepoot met drie klinkvoeten. Volgens Knöfel (I, pag. 244 en 245) bezit deze driepoot "een grooten en een kleinen voet benevens een stang voor de hak. Staat een der voeten ten gebruike omhoog, dan rust het toestel op de beide andere en blijft daarop staan. De schoen of laars wordt op een der voeten gestoken, waarna de zool of hak met metalen stiften kan bevestigd (geklonken) worden." Zie afb. 67. [N 60, 147b; N 60, 244a]
II-10
|
| 23811 |
drievuldigheidszondag |
drievuldigheidszondag:
dreejvuldigheidszonnig (L267p Maasbree)
|
De eerste zondag na Pinksteren, het feest van de H. Drieëenheid of Drievuldig-heid, Drievuldigheidszondag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 18866 |
driftig |
driftig:
driftig (L267p Maasbree),
kort geknoopt:
kort geknupt (L267p Maasbree),
kort geknoopt zijn:
kort geknup zien (L267p Maasbree)
|
driftig [SGV (1914)] || vervuld van plotselinge woede of ongeduld [duftig, koppig, kort aangezet, haastig, krikkel] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 22655 |
drijftol |
kokkerel:
kokkerēl (L267p Maasbree),
tol:
tol (L267p Maasbree)
|
drijftol [SGV (1914)] || Hoe noemt men het kinderspeelgoed dat paddestoel- of kegelvormig is en dat met een zweep wordt voortgedreven? [tol] [DC 24 (1953)]
III-3-2
|
| 24939 |
drijfzand |
drijfzand:
drīēfzank (L267p Maasbree)
|
drijfzand, met water verzadigd zand dat rustig ligt maar waarin alles wegzakt wat er druk op uitoefent [drijf, drift, vloei, papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 27354 |
drijven |
de halflap afpinnen:
dǝ halflap āfpenǝ (L267p Maasbree)
|
Het op de goede plaats brengen van de loopzool met behulp van een spanriem en een hamer. Over de zool, die voorlopig is vastgezet, spant men de spanriem en met de punt van de hamer drukt men de spanriem achterwaarts. Men beklopt de zool en zet deze met enige houten pinnen vast. [N 60, 102]
II-10
|
| 32278 |
drijver |
drijver:
drī.vǝr (L267p Maasbree),
drīvǝr (L267p Maasbree
[(van hout: werd bij houten banden gebruikt)]
)
|
Een metalen of met metaal verstevigde houten pin waar de kuiper met de kuipershamer op slaat om de banden van een vat aan te drijven. De houten drijver is aan de bovenkant versterkt met een metalen ring, terwijl de onderkant in een metalen punt uitloopt. In de punt van de drijver is vaak een gleuf aangebracht waardoor de kuiper tijdens het vastslaan van de banden een beter houvast heeft. Zie ook afb. 215. De drijfpin werd in Eisden (Q 7) en Mechelen-aan-de-Maas (Q 9) met behulp van een nijptang vastgehouden. [N E, 26b; N E, 45d; monogr.]
II-12
|
| 22066 |
drinkbak |
drinkenspot:
Algemene opmerking: deze vragenlijst is heel slecht ingevuld!
drinkespot (L267p Maasbree)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: de drinkbak? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 33413 |
drinkbak voor de kippen |
drinkbak:
dreŋkbak (L267p Maasbree),
drinkensbakje:
dreŋkǝs˱bɛkskǝ (L267p Maasbree)
|
De drinkbak voor de kippen in het kippenhok. [A 48, 16c]
I-6
|
| 20499 |
drinken |
drinken:
drinke (L267p Maasbree),
zuipen:
zoëpe (L267p Maasbree)
|
drinken; Hoe noemt U: De dorst doen ophouden (lessen, blussen, verslaan) [N 80 (1980)]
III-2-3
|