| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hoosten (L372p Maaseik),
hōstə (L372p Maaseik),
oosten (L372p Maaseik)
|
hoesten [ZND A2 (1940sq)] || zachtjes hoesten, kuchen [ZND 29 (1938)]
III-1-2
|
| 32937 |
hoeveelheid hooi die men opsteekt |
gaffel:
gafǝl (L372p Maaseik),
riek:
rik (L372p Maaseik)
|
De hoeveelheid hooi die de opsteker in één keer met z''n gaffel aangeeft aan de optasser. Zie voor het vocalisme van het woordtype riek de opmerking in de semantische toelichting bij het lemma ''houten schudgaffel'' en bij het lemma ''hooihark''.' [N 14, 118; A 34, 5a]
I-3
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
hoge mansschoen:
hūxmansšōn (L372p Maaseik)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18258 |
hoge hoed |
buis:
bøys (L372p Maaseik)
|
hoed, hoge ~, gedragen bij rouwgelegenheden [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20448 |
hoge hoed bij begrafenis |
buis:
bøys (L372p Maaseik)
|
hoed, hoge ~, gedragen bij rouwgelegenheden [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 32445 |
hoge klomp |
blokklomp:
blok[klomp] (L372p Maaseik),
hoge klomp:
hūgǝ [klomp] (L372p Maaseik)
|
Klomp met een hoge en lange, tot boven de wreef doorlopende kap. De klompopening sluit bij dit type klompen goed om de voet zodat er geen klompenriem nodig is. Zie ook afb. 259. Het woord(deel) klomp is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛklompɛ. De kapklomp die in en rond Venray (L 210) bekend was, was een luxe hoge klomp die versierd was met koperen spijkers. Hij was volgens het Venrays woordenboek (pag. 227), ondanks de hoge kap toch van een leren band voorzien en werd op zondag gedragen.' [N 24, 70b; monogr.]
II-12
|
| 18376 |
hoge klomp? |
blokklomp:
blŏkləməp (L372p Maaseik),
hoge klomp:
hūyə kləməp (L372p Maaseik)
|
klomp met hoge huif, hoge klomp, zonder riem gedragen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18354 |
hoge of halfhoge hak |
hoog versje:
hūy virskəs (L372p Maaseik)
|
damesschoenen met hoge of halfhoge hak [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18628 |
hoge pet met opstaand bovenstuk |
hoge kepie:
huj kəpij (L372p Maaseik)
|
pet met opstaand cylindervormig bovenstuk: het hoge model {afb} [hoge zeje] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18352 |
hoge rijgschoen |
bottinetje:
botĕnəkəs (L372p Maaseik),
rijgschoen:
rĕjšōn (L372p Maaseik)
|
laars waarvan het beenstuk moet worden dichtgeregen [N 24 (1964)] || rijgschoenen, hoge ~ voor dames [petiens, bottines] [N 24 (1964)]
III-1-3
|