| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
plag:
pla.k (L372p Maaseik)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18708 |
omslagdoek onder mantel of jak |
foulard (fr.):
fulār (L372p Maaseik)
|
omslagdoek die onder mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18715 |
omslagdoek over mantel of jak |
sjerp:
šerp (L372p Maaseik)
|
omslagdoek die over mantel of jak wordt gedragen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33651 |
omwalde akker |
hof:
hūf (L372p Maaseik),
schans:
šans (L372p Maaseik)
|
Een akker welke omsloten is door een akkerwal, een brede gracht of door bossen. [N 11, 2e; N 11, 2f; N 27, 3b; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 34211 |
omweiden |
omjagen:
ǫmjāgǝ (L372p Maaseik),
omzetten:
ǫmzętǝ (L372p Maaseik)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|
| 25685 |
omzetten |
omzetten:
omzętǝ (L372p Maaseik)
|
Het met de graanschop omkeren van het op de graanzolder uitgespreide graan. [JG 1a, 1b, 2c]
I-4
|
| 21441 |
onbetrouwbare koopman |
sjachelaar:
ps. omgespeld volgens Frings.
šaxəler (L372p Maaseik),
šaxəlēͅr (L372p Maaseik)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: scheldwoorden of misprijzende woorden kent uw dialect voor een weinig koopkrachtig en onbetrouwbaar koopman [kremmer, toesser, ruilebuiter, voorsnijer?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 25149 |
onbewolkt |
klaar:
klāōr (L372p Maaseik),
kloar (L372p Maaseik),
klōͅr (L372p Maaseik),
ps. omgespeld volgens IPA.
klōͅr (L372p Maaseik)
|
klaar, helder [ZND 01 (1922)], [ZND 19A (1936)]
III-4-4
|
| 32845 |
onderdelen van het zwenghout en de evenaar |
ogen:
ǫu̯gǝ (L372p Maaseik)
|
Voor de betrokken onderdelen zie men ook de afb. 98, 99 en 100. [N 11A, 103a + b + c; N 11A, 104a + b; div.; monogr.]
I-2
|
| 33450 |
onderdeur |
kalverdeur:
kau̯vǝrdȳr (L372p Maaseik)
|
Het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel is meer voor dagelijks gebruik, bedoeld om toegang te verlenen aan voetgangers en kleine voertuigen (karretjes) en om, in gesloten stand, aan vee de doorgang te beletten. In plaats van een onderdeur kan ook een kleine hekdeur van latten gebruikt worden. Zie ook afbeelding 18.e bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 37c en 42d; monogr.]
I-6
|