| 32839 |
mestplakken verspreiden |
flaters spreiden:
flātǝrs špręi̯ǝ (L332p Maasniel),
flatten spreiden:
flatǝ špręi̯ǝ (L332p Maasniel)
|
De koemestplakken in de wei met een riek of schop uit elkaar slaan, om te voorkomen dat er zich op die plekken schitbossen vormen. [NM, 8b; N 11A, 40b; div.; monogr.]
I-2
|
| 32581 |
mestspade, mestmes |
mestschup:
[mest]šø̜p (L332p Maasniel)
|
Het voorwerp waarmee men het in het vorige lemma bedoelde werk verrichtte. Dit gereedschap werd ook wel gebruikt voor het afsteken van ingekuild veevoeder of geperst hooi. Van de onderstaande termen zijn er vele niet specifiek voor de meststeker: zij noemen een bepaald soort gerei dat ook voor ander werk te gebruiken is. Voor de varianten van mest zij verwezen naar het lemma (stal)mest. [N 18, 15 + 21d; N 5A, 50b; N 11A, 12; monogr.]
I-1
|
| 33622 |
mestvaalt |
mesthoop:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mèsthoup (L332p Maasniel),
mestkuil:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mestkoel (L332p Maasniel),
mijt:
miet (L332p Maasniel),
vaalt:
vaalt (L332p Maasniel)
|
[N 11 (1961)]hoop droge mest,die bij of op de gierput wordt opgestapeld [DC 18 (1950)] || mesthoop bij de boerderij [DC 09 (1940)]
I-7
|
| 32602 |
met compost bestrooien |
korte mest mesten:
[korte mest] męstǝ (L332p Maasniel)
|
Weiland bemesten met compost. Omdat er gras- en onkruidzaden in kunnen zitten, wordt mengmest gewoonlijk niet op akkerland aangewend. [N 11, 22 + 25 add.; N 11A, 38; monogr.]
I-1
|
| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
boksen:
buksǝ (L332p Maasniel),
stoten:
štōtǝ (L332p Maasniel)
|
[N 19, 75]
I-12
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
terugzetten:
tǝrøk˲zetǝ (L332p Maasniel)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 33863 |
met de poten dicht bijeen staan |
(te) eng staan:
eŋ štǭn (L332p Maasniel)
|
[N 8, 78a en 78b]
I-9
|
| 33862 |
met de poten te ver uit elkaar staan |
wijde stand:
wii̯ǝ štantj (L332p Maasniel)
|
[N 8, 78b]
I-9
|
| 33176 |
met de schop poten, kuiltjes maken |
gater steken:
gātǝr štɛ̄kǝ (L332p Maasniel),
ingraven:
engrāvǝ (L332p Maasniel)
|
Het poten met de hand, in tegenstelling tot het poten met de ploeg, bestaat eigenlijk uit drie handelingen: (a) het graven van een kuiltje met de schop ofwel het steken van een gat in de grond met de kruk; (b) het gooien van een pootaardappel in dat kuiltje; en (c) het weer dichtmaken van het gat. In de vragenlijst zijn de handelingen (a) en (b) apart afgevraagd; maar soms hebben de zegslieden toch met één algemene term geantwoord. Deze algemene termen voor poten staan achter in het lemma bijeen; voor de fonetische documentatie daarvan zij verwezen naar het lemma Poten. [N 12, 14 en 15; monogr.]
I-5
|
| 22341 |
met de vlakke hand op iemands rug slaan |
vegen:
vaige (L332p Maasniel)
|
Met de vlakke hand op iemands rug slaan [batsen, doezen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|