| 18134 |
snijwonde |
snats:
sjnats (L332p Maasniel),
snee:
eine sjnee:j in de vinger (L332p Maasniel),
sjnee (L332p Maasniel)
|
snee in de vinger [N 07 (1961)] || Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (sleuf, kreeuw, vil, slip, schorp, krab). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19040 |
snikken |
snokken:
sjnoeke (L332p Maasniel)
|
snikken [snoffe] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 21450 |
snipper |
snipper:
sjnipper (L332p Maasniel)
|
een afgesneden, afgeknipt of afgescheurd stukje papier of stof [snipper, stoike, schreudje, schroodje, snippeling] [N 91 (1982)]
III-3-1
|
| 33616 |
snoeien |
snoeien:
sjnuije (L332p Maasniel)
|
Hoe noemt u: het snoeien in het algemeen (Hoe spreekt u het woord uit? Heeft u wellicht een ander woord? Welke?) [N 74 (1975)]
I-7
|
| 20549 |
snoepgoed |
babbeltje:
babbeltje (L332p Maasniel)
|
snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20550 |
snoepje |
lekker:
lekker (L332p Maasniel)
|
snoepje; Hoe noemt U: Een stukje snoepgoed (babbeltje, snoepje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33996 |
snoer |
smik:
šmek (L332p Maasniel)
|
Bewegend deel van de zweep dat aan de steel bevestigd is. Een aantal informanten verdeelt het snoer nog in een onderste gedeelte dat aan de stok bevestigd is, en een dunner (gevlochten) gedeelte, waaraan de kletsoor bevestigd is. De benamingen die met zekerheid refereren aan dat dunnere gedeelte, worden apart vermeld. [N 13, 95b; S 47; R 14, 20; monogr.]
I-10
|
| 25048 |
snorren |
snorren:
sjnorre (L332p Maasniel)
|
een ruisend-brommend geluid maken, gezegd van bijv. een kacheltje [snorren, snorzen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 34510 |
snot |
snot:
šnot (L332p Maasniel)
|
Coryza avium contagiosa of snot is een verkoudheid, gepaard gaande met neusvloeiing. De kippen hebben zwarte natte neuzen, ze niezen en de ademhaling kan bemoeilijkt zijn. De ogen zijn vochtig; de leg is teruggelopen en de eetlust is verminderd. Snot als alleenstaande ziekte is niet zo ernstig, meestal gaat snot gepaard met andere ademhalingsziekten. [N 19, 64; monogr.]
I-12
|
| 18026 |
snotneus |
boterneus:
botternaas (L332p Maasniel),
snotternaas:
sjnooternaas (L332p Maasniel),
sjnoou̯ternaas (L332p Maasniel),
sjnoternaas (L332p Maasniel),
snoternaas (L332p Maasniel)
|
een kind dat zich met zaken bemoeit en daarover een mening geeft, waarvoor het nog te jong is [snotneus, snotter, aap, koetneus, plathoek] [N 85 (1981)] || neus: snottebel [snotkeekel, snotkikkel, snotkiekje, snotneus, snottebrel] [N 10 (1961)] || snotneus [snooterbel, sjoetsnaas] [N 06 (1960)]
III-1-2, III-1-4
|