| 33808 |
blauwe en bruine schimmel |
bruinschimmel:
brunšømǝl (L332p Maasniel)
|
De blauwe schimmel is overwegend blauw of grijsblauw, met zwarte manen. Bij de bruine schimmels zijn allerlei schakeringen mogelijk: lichtbruin, donkerbruin, goudbruin, kastanjebruin, roodbruin, zwartbruin of geappeld bruin. Sommige gelijken in kleur sterk op de vossen, maar onderscheiden zich van deze door hun zwarte manen, staart en poten. In principe worden alle paarden die bruine of rode dekharen, zwarte manen en staart hebben, beschreven als bruin. [N 8, 63b]
I-9
|
| 29612 |
blauwe klei |
pannenklei:
panǝklęi̯ (L332p Maasniel)
|
De blauwe klei in het algemeen en de klei die onder het veen zit in het bijzonder. [N 27, 19b; N 27, 44]
I-8
|
| 24390 |
blauwe vleesvlieg, bromvlieg |
dikke vlieg:
dieke vleeg (L332p Maasniel),
strontvlieg:
ströndjvleeg (L332p Maasniel)
|
bromvlieg (legt eieren in geslacht vlees) [DC 18 (1950)] || Hoe noemt u een grote, dikke vlieg, donkerblauw glanzend, die eieren legt in geslacht vlees (dal) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 17691 |
blazen |
blazen:
blaoze (L332p Maasniel)
|
Hoe noemt u het geluid dat katten voortbrengen als zij kwaad zijn (blazen, spuwen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 34110 |
bles |
bles:
blɛs (L332p Maasniel)
|
Witte streep op het voorhoofd van de koe. [N 3A, 136b; N 3A, 135b]
I-11
|
| 24978 |
blijven hangen, blijven plakken |
plakken:
plekke (L332p Maasniel)
|
ergens steeds maar blijven, niet weg willen gaan [kleven, pekken, hukken, persten, plersten, pleisteren] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24969 |
blijven wachten |
blijven:
blieve (L332p Maasniel),
wachten:
wachte (L332p Maasniel)
|
ergens blijven tot iets of iemand komt [tukken, wachten] [N 91 (1982)] || niet verder gaan, blijven [letten, banken, banketeren, wijlen, blijven] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 33780 |
blijvend gebit |
paardstanden:
pē̜rstɛnj (L332p Maasniel)
|
Op vijfjarige leeftijd heeft het paard een volwaardig gebit, meestal paardstanden genoemd. [JG 1a, 1b; N 8, 18a en 18b]
I-9
|
| 25111 |
bliksem, bliksemflits |
bliksemflits:
ain bliksem flits (L332p Maasniel),
bliksemstraal:
ain bliksem sjtraol (L332p Maasniel),
bliksem sjtraol (L332p Maasniel),
vuurwerk:
vuurwerk (L332p Maasniel)
|
bliksemen met een felle straal [t vuurlicht] [N 22 (1963)] || bliksemschicht, bliksemstraal [weerlicht, blidderum] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25113 |
bliksemen |
bliksemen:
’t bliksemt (L332p Maasniel),
het bliksemt flinkop:
et bliksemt (flinkòp) (L332p Maasniel)
|
bliksemen met een felle straal [t vuurlicht] [N 22 (1963)]
III-4-4
|