| 24326 |
runderhorzel, horzel |
horzel:
hoͅsəl (Q089p Martenslinde),
runderhorzel:
runderhorzel (Q089p Martenslinde)
|
horzel [ZND 01 (1922)] || insect III [Goossens 1b (1960)]
III-4-2
|
| 24349 |
runderhorzellarve |
madenknoeb:
moͅiknubə (Q089p Martenslinde)
|
worm vdit laatste insec [Goossens 1b (1960)]
III-4-2
|
| 34022 |
rundvee |
vee:
vē (Q089p Martenslinde)
|
Als vee gehouden runderen. Rundvee in het algemeen. Zie afbeelding 1. [N 3A, 1; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 24371 |
rups |
rups:
rups (Q089p Martenslinde)
|
rups [ZND 06 (1924)]
III-4-2
|
| 21332 |
samenspannen |
meteenfoetelen:
dij twee foetələ met ee (Q089p Martenslinde),
meteenspannen:
twe: e hoog
dajtwespanəmedēn (Q089p Martenslinde)
|
Die twee heulen samen (spannen samen tegen de anderen) [ZND 26 (1937)]
III-3-1
|
| 21025 |
savooiekool |
savooi:
səvoͅiə (Q089p Martenslinde)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 23230 |
scapulier |
scapulier:
žablīr (Q089p Martenslinde)
|
Schapulier. [ZND 06 (1924)]
III-3-3
|
| 34539 |
schaal van een ei |
schaal:
šǭǝl (Q089p Martenslinde)
|
Het kalkachtige omhulsel van een ei. Onder het woordtype schaal verbergen zich twee verschillende woorden, die in het Nederlands zijn samengevallen, doordat de Westgermaanse ā van het eerste woord, dat "komvormig voorwerp" betekende, en de Westgermaanse a in open lettergreep van het tweede woord, dat "omhulsel" betekende, beide een lange ā opleveren. De meeste Limburgse dialecten onderscheiden echter nog steeds deze twee historische klinkers. In de westelijke helft van Belgisch Limburg (gebied I) heeft ''schaal'' "eierschaal" een vocalisme dat Westgermaanse ā voortzet, in de oostelijke helft, in heel Nederlands Limburg evenals in het noordoosten van de provincie Luik (gebied II) een dat Westgermaanse a in open lettergreep voortzet. In dat oostelijke gebied is daarnaast ook schaal met oude ā vaak bekend, maar het betekent er "groot, plat bord", "collecteschaal" of "weegschaal". In enkele noordwestelijke Belgisch Limburgse dialecten heeft algehele (gebied III) of gedeeltelijke (gebied IV) samenval van ā en a in open lettergreep plaatsgevonden, zodat er niet kan worden uitgemaakt op welke van de twee oorspronkelijk verschillende woorden het woordtype schaal er teruggaat. Zie hiervoor in de bibliografie Goossens 1967. Enkele Nederlands Limburgse gegevens bevatten een historische ā. Blijkbaar gaat het hier om verwarring met het woord ''schaal'' voor "schotel".' [N 19, 55a; JG 1b, 1c, 2c; A 39, 9a; A 39, 9b; monogr.]
I-12
|
| 34381 |
schaap |
schaap:
šuop (Q089p Martenslinde),
šu̯ǫp (Q089p Martenslinde)
|
Bedoeld wordt het schaap in het algemeen, niet geslachtelijk onderscheiden. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b, 2c; L 45, 21; L 38, 40; L 6, 25; S 30; A 14, 21; A 2, 1; G V, m3; Gwn 5, 13 add.; monogr.]
I-12
|
| 33342 |
schaapherder |
scheper:
šēpǝr (Q089p Martenslinde, ...
Q089p Martenslinde)
|
[A 48, 18a; L 1, a-m; L 26, 32a; S 13; Wi 2; monogr.]Herder die de schapen hoedt, al of niet in dienst van een baas. Het lemma ''schaapherder'' is reeds behandeld in wld I.6 (1.3.16). Onderstaande gegevens zijn een aanvulling daarop. [N 78, 1; JG 1a, 1b; N 19, L 292 add.; monogr.]
I-12, I-6
|