| 20391 |
echtgenote |
vrouw:
vró (Q089p Martenslinde)
|
vrouw (echtgenote) [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 21313 |
eed |
eed:
ēt (Q089p Martenslinde)
|
eed [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|
| 24436 |
eekhoorn |
eekhoorn:
ook ZND 02, 008
eekhuoͅn (Q089p Martenslinde),
eekhoorntje:
ook ZND 02, 008
ēkieͅnkə (Q089p Martenslinde)
|
eekhoorn [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 18116 |
eelt, eeltknobbel |
eelt:
iolt in z`n haan (Q089p Martenslinde)
|
Hij heeft eelt in zijn handen (verharding van de huid door het werken met de spade) [ZND 35 (1941)]
III-1-2
|
| 20505 |
een borrel drinken |
een drupje drinken:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
ən drepkə dreŋkə (Q089p Martenslinde),
een leegdrinken:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
en tiëg drinke (Q089p Martenslinde),
een slok drinken:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
ene sloek drinke (Q089p Martenslinde)
|
druppel (drinken), een borrel pakken [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|
| 34532 |
een ei |
ei:
ē (Q089p Martenslinde),
ē. (Q089p Martenslinde),
ē̜ (Q089p Martenslinde),
eitje:
ē.kǝ (Q089p Martenslinde)
|
[L 1a-m; L 3, 8; L 5, 79; L 26, 13b; L 30, 18b; L 35, 7; JG 1b; RND 123; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
hīrə (Q089p Martenslinde)
|
huren [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 22780 |
een kring op de grond trekken |
een ring op de grond trekken:
’ne rank op de grond trekke (Q089p Martenslinde)
|
Een kring op de grond trekken. [ZND 29 (1938)]
III-3-2
|
| 17843 |
een nachtmerrie hebben |
van de maar bereden zijn:
ig bën van də mōͅr bərieə (Q089p Martenslinde)
|
Nachtmerrie; hoe vertaalt gij, fr. jai eu le cauchemar? [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 18273 |
een paar schoenen |
een paar schoenen:
ə poͅr šūn (Q089p Martenslinde)
|
een paar schoenen [ZND 06 (1924)]
III-1-3
|