| 26459 |
meeljagers |
metnemeren:
metnø̄mǝr (Q204a Mechelen),
metnę̄mǝr (Q204a Mechelen)
|
De twee ijzers of lapjes aan de loper die dienen om het meel naar de meelpijp te drijven. De meeljagers zijn bevestigd ofwel aan de ijzeren banden die de loper moeten verstevigen ofwel in de kraangaten van de loper. [N O, 18s; Vds 158; Jan 163; Coe 148; Grof 175; A 42A, 31 add.; A 42A, add. N D, add.]
II-3
|
| 24421 |
meelmijt |
meelmijt:
méélmiete (Q204a Mechelen),
meelworm:
WLD
meil wörrem (Q204a Mechelen)
|
mijt die in vochtig meel leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 26516 |
meelpijp, meelgoot |
buisje:
bȳ̄skǝ (Q204a Mechelen),
uitloop:
ūtlōp (Q204a Mechelen)
|
De pijp of goot onder de molenstenen waardoor het meel naar beneden komt. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; Sche 55; Vds 159; Jan 167; Coe 152; Grof 176; monogr.]
II-3
|
| 33150 |
meelschepje |
meelschup:
mɛ̄lšø̜p (Q204a Mechelen)
|
Een houten vat voorzien van een steel dat diende om droog meel te scheppen. Vergelijk de lemma''s ''graanschop, schepschop'' (6.3.13) en ''graanschep'' (6.3.15). [N 18, 9b]
I-4
|
| 24422 |
meelworm, larve van de meeltor |
meelworm:
mëëlwörm (Q204a Mechelen),
WLD
meilwörrem (Q204a Mechelen)
|
meeltor-larve, wormpje dat in (oude) meelvoorraden voorkomt [meelworm] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 34229 |
meer melk gaan geven |
bijkomen:
(de koe) kø̄mp bęi̯ (Q204a Mechelen),
hermelken:
hǝrmǫlkǝ (Q204a Mechelen),
zich aan het zetten zijn:
(de koe) es zex ǭn ǝt zɛtǝ (Q204a Mechelen)
|
[N 3A, 68]
I-11
|
| 32781 |
meerdelige eg |
koppel[eg]:
kǫpǝl[eg] (Q204a Mechelen)
|
Bedoeld wordt een combinatie van twee of meer eggen van dezelfde soort en grootte, die - naast elkaar liggend en meestal onderling verbonden, met haken of korte kettingen aan een gemeenschappelijke trekbalk bevestigd zijn; zie afb. 62. Zulk een combinatie werd gewoonlijk door twee paarden getrokken. In de betrokken termen hieronder vertegenwoordigt het lid drie ook varianten van het type ''drij''. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men het lemma ''eg''. [N 11, 67 + 76; N 11A, 162a + b; N J, 10 add.; div.; monogr.]
I-2
|
| 20407 |
meerderjarig |
mondig:
mundig (Q204a Mechelen)
|
mondig [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 21273 |
meester |
meester:
meester (Q204a Mechelen)
|
meester [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 28868 |
meetlint |
centimeter:
sɛntimētǝr (Q204a Mechelen)
|
Een in centimeters verdeeld lint om te meten. [N 53, 186a]
II-12
|