| 33403 |
schaapsruif |
roop:
rø̜i̯p (Q204a Mechelen),
schaapsben:
sxǭpsbęn (Q204a Mechelen)
|
Het samenstel van latten, in schuine stand tegen de wand aangebracht, waaruit de schapen het hooi kunnen eten. Zie ook de toelichting bij de lemmata "ruif voor de koeien" (2.2.19) en "paarderuif" (2.3.2). [N 5A, 45b; R 14, 23n; monogr.]
I-6
|
| 34427 |
schaapsschaar |
schaap(s)scheer:
sxǭpssxiǝr (Q204a Mechelen),
šǭpsšīr (Q204a Mechelen),
schapenscheer:
sxǭpǝsxīr (Q204a Mechelen)
|
Bepaalde schaar waarmee men schapen scheert. [N 18, 119; monogr.]
I-12
|
| 28873 |
schaar |
scheer:
šīr (Q204a Mechelen)
|
Schaar, gereedschap van kleermaker en naaister. Een goede schaar is gemaakt van staal en ijzer. Het snijvlak van de schaar moet van staal vervaardigd zijn. Het bovenoog, waarin de duim rust, is kleiner en ronder dan het onderoog waarin de vingers rusten (Papenhuyzen III, pag. 9). In dit lemma zijn de vragen ø̄Hoe noemt u de schaar in het algemeen?ø̄ (N 59, 16a), ø̄Hoe noemt u de grote schaar?ø̄ (N 59, 16b), en ø̄Hoe noemt u de kleine schaar?ø̄ (N 59, 16c) samengevoegd. Binnen dit lemma zijn de antwoorden onderverdeeld in drie groepen die beantwoorden aan de driedelige vraagstelling. Zie afb. 8. [N 59, 16a; N 59, 16b; N 59, 16c; N 62, 54; L 45, 14; L A2, 317; Gi 1.IV, 22; MW; S 30; monogr.]
II-7
|
| 19081 |
schaden (ww.) |
scha doen:
sja doew (Q204a Mechelen)
|
schaden (ww.) [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 25043 |
schaduw, lommer |
scheem:
sjɛ̄m (Q204a Mechelen)
|
schaduw [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19129 |
schande |
schande:
sjan (Q204a Mechelen)
|
schande [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 20696 |
schapenvet |
schapenvet:
schaopevet (Q204a Mechelen),
schaopevét (Q204a Mechelen),
Syst. WBD
sjaopevèt (Q204a Mechelen)
|
Schapevet (ongel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19900 |
scharnier |
scharnier:
šarnēr (Q204a Mechelen)
|
Metalen toestel, bestaande uit twee delen die in elkaar grijpen en aan elkaar verbonden zijn door een pen waaromheen zij kunnen draaien. Scharnieren worden gebruikt voor alle delen van ramen en deuren die beweegbaar ten opzichte van elkaar moeten worden verbonden. Men onderscheidt ijzeren en koperen scharnieren; de laatste hebben meestal een ijzeren pen waarom zij draaien. [N 54, 78; monogr.]
II-9
|
| 31910 |
scharnierbeitel |
fitsbeitel:
fetš˱bētǝl (Q204a Mechelen),
fitsenbeitel:
fitšǝbētǝl (Q204a Mechelen)
|
Hakbeitel waarvan heft en blad uit één stuk staal gesmeed zijn. Het beitelblad heeft aan de voorkant een zeer smalle, schuingeslepen zijde. De beitel wordt gebruikt voor het aanbrengen van smalle sleuven en gaten en vaak ook voor het inhakken van de sleuven voor scharnieren. Zie ook afb. 67. Een holte in een kozijn maken met behulp van de scharnierbeitel werd in Gronsveld (Q 193) infitsen (īnfetšǝ) genoemd. [N 53, 41-42; N G, 27b; monogr.]
II-12
|
| 34494 |
scharrelen |
dabben:
dabǝ (Q204a Mechelen)
|
De kippen dabben en scharren in de grond om wormen, insecten en dergelijke te vinden. [N 19, 61a; L 33, 20; monogr.]
I-12
|