| 34213 |
koeherder |
koeherd:
kuwhart (L217p Meerlo)
|
Zie ook het lemma ''koewachter, veeknecht'' (1.3.14) in wld I.6, blz. 23-25. [N 3A, 12b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 32568 |
koekenhort, vlaaienhort |
hortje:
hø̜rtjǝ (L217p Meerlo),
koekenhortje:
kūkǝhø̜rtjǝ (L217p Meerlo),
vlaaihortje:
flājhø̜rtjǝ (L217p Meerlo)
|
Doorgaans van witte wissen gevlochten onderzetter, waarop vers gebakken vlaaien of pannenkoeken worden gelegd om af te koelen. [N 40, 97; N 40, 118; N 40, add.; L 1u, 100; L 1a-m; L 35, 107; monogr.]
II-12
|
| 19407 |
koekenpan |
koekenpan:
koekepan (L217p Meerlo),
pan:
pan (L217p Meerlo)
|
Platte pan met een steel voor het bakken van pannekoeken, eieren, etc. (koekepan, pan) [N 79 (1979)] || platte steelpan
III-2-1
|
| 20750 |
koekje |
camps-mop:
kampsmoͅp (L217p Meerlo),
platsje:
plɛtskə (L217p Meerlo)
|
grpte ronde koek met in het midden een gat (Camps had op alle kermissen een kraam) || koekje
III-2-3
|
| 24188 |
koekoek |
koekoek:
koekoek (L217p Meerlo)
|
koekoek
III-4-1
|
| 33349 |
koestal |
koestal:
ku[stal] (L217p Meerlo),
kuu̯[stal] (L217p Meerlo)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 34646 |
koets |
koets:
kuts (L217p Meerlo)
|
Vierwielig rijtuig met een vierkante gesloten kast voor een klein aantal personen. De kast hangt in riemen of rust op veren. De koetsier heeft een aparte bok. De koets is een van de meest bekende rijtuigen, vandaar dat "koets" ook vaak als algemene benaming voor het vierwielig rijtuig gebruikt wordt. [N 17, 5; N 101, 1-13; N G, 51; L 28, 24; L 36, 70; L A, 288; L 1a-m; S 18; Wi 18; Gi 3,IB; monogr]
I-13
|
| 21140 |
koets (alg.) |
koets:
koets (L217p Meerlo),
Algemene opmerking v.d. invuller: in het Meerlos dialect bestaat geen uitgangs "n"!
koets (L217p Meerlo)
|
een vierwielig, geheel gesloten rijtuig, door een of meer paarden getrokken [koets, toegerij, toekoets] [N 90 (1982)] || koets [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 34644 |
koetsier |
koetsier:
kutsēr (L217p Meerlo)
|
Persoon die op de bok van een rijtuig zit en de paarden ment. [N 101, 2; Wi 15, monogr]
I-13
|
| 31201 |
koevoet, hefboom |
hefboom:
hɛf˱buǝm (L217p Meerlo)
|
IJzeren hefboom van 90 tot 120 cm lang die van onderen eindigt in een schuin uitstaande, gespleten klauw. De koevoet wordt gebruikt bij het verplaatsen van zware lasten, maar ook voor sloopwerk en om spijkers uit te trekken. Zie voor de woordtypen domphout (L 331) en domper (L 330) ook het Tegels woordenboek, pag. 81, s.v. ɛd√¥mpeɛ: "het optillen of verplaatsen van een zwaar voorwerp door middel van een hefboom, die men op een ondergeschoven blok of steen laat rusten."' [N 33, 240; N 33, 114; N 17, 81]
II-11
|