| 32856 |
molshoop in het grasland |
moetwormshoop:
(mv mutwø̜rǝmsh" ̝ǝp)
mutwø̜rǝmshō ̝ǝp (L217p Meerlo)
|
Hoopje aarde, opgeworpen door een mol. Op de cultuurgronden en ook in het weiland zijn molshopen hinderlijk voor de boer, en hij zal proberen de mollen te vangen en de molshopen in het veld te verwijderen met de sleep (zie het lemma ''slepen'' in aflevering I.1.2, p. 175-176) of met een ander werktuig (zie het volgende lemma: ''molshopen verspreiden''). De benaming van de molshoop is vaak in het meervoud opgegeven. Daarom zijn bij de onderstaande woorden overal waar in de enquêtes door de informanten ook de meervoudsvormen zijn vermeld, deze hier ook opgenomen. In enkele streken worden de molshoop en de mol door hetzelfde woord benoemd. Daarom is in deze paragraaf ook het lemma ''mol'' opgenomen. De plaatsen waar de woorden voor mol en molshoop hetzelfde zijn, zijn hieronder gekenmerkt door het teken = bij de plaatscode; ze zijn in kaart 3, Mol, genoteerd.' [N 14, 80a; N 14, 81 add.; JG 1a, 1b, 1c; A 18, 12; L 1 a-m; L 1u, 165; L B2, 212; S 24, monogr.]
I-3
|
| 21598 |
mompelen |
mompelen:
mompele (L217p Meerlo)
|
binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 17758 |
mond |
mond:
mĕŭnd (L217p Meerlo),
mo.nt (L217p Meerlo),
mōnd (L217p Meerlo)
|
mond [RND], [SGV (1914)] || monden [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 22684 |
mondharmonica |
monica:
monika (L217p Meerlo)
|
Het muziekinstrument dat langs de mond op en neer bewogen wordt en waarop geluid gemaakt kan worden door blazen en zuigen [fiep, moelfiep, noeneke, mondharmonika, muziek]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 22681 |
mondstuk |
mondstuk:
mondstuk (L217p Meerlo)
|
Het mondstuk van een muziekinstrument [ammezuur, hap]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 25063 |
mondvol |
mondvol:
mondvol (L217p Meerlo)
|
de hoeveelheid vloeistof of voedsel die men in één keer in de mond kan nemen [mondvol, moffel] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 23222 |
monnik |
monnik:
met v-tje op de o
mönnik (L217p Meerlo),
pater (lat.):
pater (L217p Meerlo)
|
monnik [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 25169 |
mooi, helder weer |
mooi weer:
moj wèr zien (L217p Meerlo)
|
mooi weer zijn, gezegd van het weer [weren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20521 |
moot vis |
stuk:
stuk (L217p Meerlo)
|
moot; Hoe noemt U: Een snede vis (moot, mook) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19356 |
mopperen |
foeteren:
foetere (L217p Meerlo),
grommen:
grómme (L217p Meerlo),
knaaien:
knāōje (L217p Meerlo),
mompelen:
mompele (L217p Meerlo)
|
binnensmonds mompelen, gezegd van iemand die kwade zin heeft [morren, mompelen, mommelen, mopperen] [N 87 (1981)] || brommen || knorren, grommen, zeurend brommen || zijn ontevredenheid kenbaar maken [mopperen, preutelen, bobbelen, foeteren, grutten, gruizen, grijzen, kijven, kekelen, mökkelen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|