| 20302 |
boertje |
ripselen:
réépsele (L364p Meeuwen)
|
boertje doen; als een baby gedronken heeft moet het een boertje doen [DC 47 (1972)]
III-2-2
|
| 21605 |
boete |
boete:
ps. omgespeld volgens RND!
bytə (L364p Meeuwen)
|
een geldstraf [boete, kore, amende] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 18064 |
bof |
dikoor:
diky.r (L364p Meeuwen)
|
Bof: de ziekte waarbij men een opgezet gezicht krijgt door ontsteking van de oorspeekselklier en zwelling van de lymfevaten (dikoor, smartoor, bof). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34655 |
bok van het rijtuig |
karbok:
karbok (L364p Meeuwen)
|
Zitplaats voor de koetsier of de voerman. Alleen bij het rijtuig vormt de bok een vast onderdeel. Bij de kar en de wagen wordt soms een plank tussen de berries gelegd die als geïmproviseerde zitplaats dient. Uit vragenlijst N 101, waar gevraagd werd naar de zitplaats van de voerman van een rijtuig, kwamen vrijwel uitsluitend opgaven van het type bok. [N 17, 38a-b + 40 + add; N G, 58d; N 101, 18a; monogr.]
I-13
|
| 20517 |
bokking |
bokkem:
bĕkkĕm (L364p Meeuwen),
békkem (L364p Meeuwen),
bɛkəm (L364p Meeuwen),
bukkem
beͅkəm (L364p Meeuwen),
Eine gereikde bèkkem is waal ins hartelik
bèkkem (L364p Meeuwen)
|
bokharing || bokkem, gerookte haring || bokking, gerookte haring [ZND 24 (1937)] || haring; Hoe noemt U: Een gerookte haring (massisse, bukkem, boesterin, boksharing) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33500 |
bolster van de okkernoot |
bolster:
boͅlstər* (L364p Meeuwen)
|
bolster
I-7
|
| 32326 |
bom, spon |
spon:
spon (L364p Meeuwen)
|
De houten stop die ter afsluiting in het spongat wordt geslagen of geschroefd. Volgens de respondenten uit Gulpen (Q 203), Rothem (Q 99*) en Klimmen (Q 111) werd onder de bom eerst nog een lap gelegd. Die werd sponlap (Q 99*: šponlap) of sponlapje (Q 111: šponlɛpkǝ) genoemd. Zie ook het lemma ɛsponɛ in wld II.2, pag. 44.' [A 36, 3b; N 6, 4 add.; N E, 48a add.; L 7, 28 add.; monogr.]
II-12
|
| 18296 |
bont als apart kledingstuk |
pels:
pèls (L364p Meeuwen),
pɛls (L364p Meeuwen)
|
pels (door dames om de hals gedragen) [ZND 40 (1942)] || pels, de pels op ene jas
III-1-3
|
| 17877 |
bont en blauw slaan |
bont en blauw slaan:
bont en blaw geslagen (L364p Meeuwen),
bunt ɛn blāuw gəslāgə (L364p Meeuwen)
|
bont en blauw geslagen [RND] || ze hebben hem paars en blauw geslagen (de echte dialectische uitdrukking opgeven) [ZND 40 (1942)]
III-1-2
|
| 25019 |
bonzen |
bonzen:
bonzə (L364p Meeuwen)
|
hevig kloppen bijv. met de vuist op een deur [grollen, bonzen, dokkeren] [N 91 (1982)]
III-4-4
|