25494 |
broodslot |
slot:
slōt (L265p Meijel)
|
De plaats waarde uiteinden van de opgerolde deegplak over elkaar vallen. [N 29, 56; monogr.]
II-1
|
30852 |
bros |
pennebros:
pɛnǝbrǫs (L265p Meijel)
|
De grove, rechte els die men hanteert bij het doornaaien of die men gebruikt om gaatjes te slaan voor de houten pennen. Aras (II, pag. 186) zegt hierover: "De pennenbros moet dunner zijn dan de houten pennen, omdat deze in de voorgestoken gaatjes goed zouden geprangd zitten, want hiervan hangt geheel de sterkte van het met hout gepende werk af. Ook moet de pennenbros iets korter zijn dan de houten pennen." Zie afb. 6. [N 60, 180]
II-10
|
24983 |
bros, breekbaar |
broos:
broos (L265p Meijel),
bros:
brós (L265p Meijel)
|
hard aanvoelend en toch gemakkelijk breekbaar [bros, sprok, ras, broos] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
30904 |
brospin |
brospin:
brǫspen (L265p Meijel)
|
De pin zonder kop die niet geheel in een onderstuk ingeslagen wordt, zodat het volgende onderstuk, bij de opbouw van de hak, daarop kan worden geslagen. [N 60, 200d]
II-10
|
25658 |
brouwer |
brouwer:
brǫwǝr (L265p Meijel)
|
De persoon die bier brouwt. In dit lemma is alle materiaal opgenomen dat betrekking heeft op brouwer in de algemene betekenis van "de persoon die bier brouwt." In het lemma ''brouwmeester'' daarentegen zijn alle opgaven bijeen geplaatst die als antwoord werden gegeven op de vragen N 57, 58a/b/c/d: "Hoe noemt u de persoon of personen, belast met a. beslag maken, b. filteren, c. koken, d. afkoelen." [S 5; RND 112; L 1a-m; L 1u, 26; monogr.]
II-2
|
21169 |
brug |
brug:
br"x (L265p Meijel)
|
brug [RND]
III-3-1
|
20386 |
bruid |
bruid:
broejd (L265p Meijel),
brutj (L265p Meijel),
brøtj (L265p Meijel),
bruidje:
brøtjə (L265p Meijel)
|
bruid || de bruid [broeëd] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
20387 |
bruidegom |
bruidegom:
broedegom (L265p Meijel),
bruigom:
brøͅjgom (L265p Meijel)
|
de bruidegom [brudejam] [N 96D (1989)]
III-2-2
|
23221 |
bruidje in de processie |
bruidje:
bruidje (L265p Meijel),
brutje (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
brøtjə (L265p Meijel)
|
Bruidje in de processie. [N 07 (1961)] || Een in het wit gekleed meisje in de processiestoet [bruidje, maagdje, ingelche]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
20389 |
bruidsjapon |
bruidsjapon:
broejdsjapon (L265p Meijel),
bruidskleed:
broedskleid (L265p Meijel),
trouwkleed:
traowklé (L265p Meijel),
troͅwkleͅ (L265p Meijel)
|
bruidsjapon || de bruidsjapon, het bruidskleed [N 96D (1989)]
III-2-2
|