| 29922 |
handlangeren |
opperen:
opǝrǝ (L265p Meijel)
|
De metselaar helpen bij zijn werkzaamheden door onder meer metselstenen aan te dragen en mortel klaar te maken. [N 30, 2b; N 30, 2c; monogr.]
II-9
|
| 26685 |
handmolen |
handmolen:
hant[molen] (L265p Meijel),
pelmolen:
pɛlmø̄lǝ (L265p Meijel)
|
Eenvoudige handmolen bestaande uit een koppel molenstenen met kleine spil, zwengel en steenkuip, in sommige gevallen uitgebreid met kaar en maalstoel. De molen werd gebruikt om graan te malen en in voorkomende gevallen ook voor het breken van zaden. De handmolen was in l 159a niet bekend. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [N D, 1; N D, 2; JG 1a]
II-3
|
| 28893 |
handnaaimachine |
handmachine:
hāntmǝšin (L265p Meijel)
|
Naaimachine die men met één hand in beweging brengt. De informant van L 416 merkt op, dat men de machine aandraait door middel van een rad met een knop. De informant van Q 111* spreekt van een machine met zwengel. De informant van Q 88 vermeldt dat men de handnaaimachine niet meer gebruikt. [N 59, 17c]
II-7
|
| 17662 |
handpalm |
palm:
palm (L265p Meijel)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 28010 |
handpijler |
handpijler:
hantpęjlǝr (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Emma])
|
Pijler waarin de steenkool met behulp van de luchthamer wordt gewonnen. Zie ook het lemma Mechanische Pijler. [N 95, 281; monogr.]
II-5
|
| 32831 |
handrol, tuinrol |
handwel:
hant[wel] (L265p Meijel),
kleine wel:
klęi̯nj wɛl (L265p Meijel)
|
Een kleine rol voor gebruik in de tuin of op een klein perceel; deze rol wordt door een persoon voortgetrokken aan een touw dat op twee plaatsen aan het raam bevestigd is, of aan een met het raam verbonden steel met handgreep. Zie de afb. 85 en 86. [JG 1a; N 11A, 186a; A 40, 9f; div.]
I-2
|
| 18256 |
handschoen |
hands:
hans (L265p Meijel),
hanse (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
handschoen:
hantšūn (L265p Meijel)
|
De handschoen die ter bescherming van de handen wordt aangetrokken bij het behandelen van de bijen. [N 63, 75a; monogr.] || handschoenen met vier vingers en één duim || handschoenen, met vier vingers en een duim [vingerwante, haase, hejse] [N 23 (1964)]
II-6, III-1-3
|
| 27545 |
handschoen, handbeschermer |
handbeschermer:
hantbǝšɛrmǝr (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV, Emma])
|
Handschoen of handbeschermer. Er zijn werkzaamheden waarbij handbeschermingsmiddelen moeten worden gedragen zoals bij ijzertransport en andere waarbij het verboden is om deze middelen te dragen, zoals bij draaiende boren, werken aan bewegende delen van machines of aan- en afkoppelen van wagens (MBK V pag. 139). Lauraders moeten bij hun werk handschoenen dragen. [N 95, 882; N 95, 883]
II-5
|
| 26078 |
handspaken |
speken:
spīǝkǝ (L265p Meijel)
|
De staken of spijlen van de kruias. Zie ook afb. 21. [N O, 30f]
II-3
|
| 22879 |
handspel |
hands (eng.):
hends (L265p Meijel)
|
Hij heeft de bal men de hand aangeraakt, het is ... [DC 49 (1974)]
III-3-2
|