| 22392 |
kaart met prentje |
beeld:
bild (L265p Meijel),
prentje:
prentje (L265p Meijel),
preͅntjə (L265p Meijel)
|
Een kaart met een prentje erop [beeld, pop, prentje]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22505 |
kaarten (ww.) |
kaarten:
kartə (L265p Meijel),
/
karte (L265p Meijel)
|
kaarten [RND], [SND (2006)]
III-3-2
|
| 22386 |
kaarten voor geld |
voor geld spelen:
vør geͅlt (L265p Meijel)
|
Kaartspelen voor geld [tuisen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20802 |
kaas |
kaas:
kééəs (L265p Meijel)
|
kaas [RND]
III-2-3
|
| 24833 |
kaasjeskruid |
kaasjeskruid:
geen echte Meijelse naam
kaasjeskruit (L265p Meijel),
kaasjeskruidje:
kɛskǝskrø̜i̯tjǝ (L265p Meijel),
geen echte Meijelse naam
késkeskruitje (L265p Meijel)
|
klein kaasjeskruid [DC 52 (1977)], [DC 52 (1977)] || Malva L. Een vrij algemeen voorkomende struikachtige plant met langgesteelde bladeren, bloemen in groepen van twee of meer in de bladoksels en vruchtjes in de vorm van een plat kaasje. Het grote kaasjeskruid (Malva sylvestris L.), dat veel in bermen voorkomt, wordt tot meer dan 1 meter hoog en heeft roze of lichtpaarse bloemen en een ruwbehaarde stengel. Het kleine kaasjeskruid (Malva neglecta Wallr.), dat 40 cm groot wordt, komt meestal liggend voor bij boerderijen en aan wegranden en heeft rozerode, soms ook witte bloemen. De bloei duurt van juni tot september. [A 52, 10a en 10b; monogr.]
I-5, III-4-3
|
| 22622 |
kaatsen |
kaatsen:
katsə (L265p Meijel)
|
kaatsen [RND]
III-3-2
|
| 22369 |
kaatsen (ballen) |
ballen:
ballen (L265p Meijel),
balə (L265p Meijel)
|
Met een bal spelen [ballen, bollen, tossen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 28272 |
kabelbreuk |
kabelbreuk:
kabelbreuk (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Eisden])
|
[N 95, 90; monogr.]
II-5
|
| 31565 |
kachels zwarten |
potloden:
pǫtluǝtǝ (L265p Meijel)
|
Kachels met behulp van kachelzwartsel of door (in)branden of lakken zwart maken. In Q 83 liet men vetkool roken waarna het daarbij gevormde zwartsel op de kachel werd uitgewreven. Ook in L 330 werd het zwartbronzé samen met lijnolie boven een kolen- of turfvuur verhit en vervolgens op de kachel uitgepoetst. [N 33, 313; N 7, 41c; L 5, 60b add.; monogr.]
II-11
|
| 31566 |
kachelzwartsel |
potlood:
pǫtluǝt (L265p Meijel)
|
In dit lemma zijn de benamingen bijeengebracht voor de verschillende middelen die worden gebruikt om kachels zwart en glanzend te maken. Met potlood, grafiet in poedervorm, kunnen kachels glimmend worden opgepoetst. Kachelpoets en zebrakachelglans zijn poetsmiddelen om kachels mee op te wrijven en te laten glanzen. De steenpek (P 219) was volgens de invuller een soort steenkool die op het verwarmde ijzer gesmeerd werd om dit zwart te maken. [N 33, 313; N 7, 41b; L 5, 60b; monogr.]
II-11
|