| 21886 |
bank van lening |
leenbank:
(roerend goed).
leenbank (L265p Meijel)
|
de instelling van gemeente of particulieren waar men geld krijgt op onderpand van onroerende goederen [bank van lening, lommerd, pandjeshuis] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 21633 |
bankbiljet |
briefje:
brīēfke (L265p Meijel),
gulden:
gulde (L265p Meijel)
|
bankbiljet, banknoot, een ~ [briefke?] [N 21 (1963)] || Nederlandse bankbiljetten: [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 26807 |
banken laten zitten |
banken laten zitten:
bɛŋk lǭtǝ zetǝ (L265p Meijel)
|
Veenbanken laten zitten als bescherming tegen het water. [I, 62]
II-4
|
| 24299 |
barbeel |
barbeel:
cassettebandje
barbeel (L265p Meijel)
|
Hoe noemt u de barbeel: een zoetwatervis. De buikvinnen staan ver achter de borstvinnen, ter hoogte van de rugvin. Het lichaam is lang en slank en de staartvin is diep ingesneden. De bek heeft geen tanden, wel dikke lippen, waarvan de bovenste lange baard [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 20181 |
barensweeën |
poos:
poës (L265p Meijel),
pozen:
poejse (L265p Meijel),
ween:
wêên (L265p Meijel)
|
Barenswee: periodieke pijnen die voorafgaan aan het baren (poos). [N 84 (1981)]
III-2-2
|
| 18613 |
baret |
baret (<fr.):
beret (L265p Meijel),
pats:
pats (L265p Meijel)
|
baret [flat, floets] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18173 |
barrevoets |
op blote voeten:
up bluətə vy.t (L265p Meijel)
|
blootvoets [RND]
III-1-3
|
| 21781 |
bascule |
bascule:
baskuul (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
Weeginstrument met vaste vloer (bascule). [N 18 (1962)]
III-3-1
|
| 23344 |
basiliek |
basiliek (<lat.):
bazəlik (L265p Meijel)
|
Een basiliek. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28743 |
batist |
batist:
batest (L265p Meijel)
|
Oorspronkelijk: zeer fijn en zacht doek, uit de zachtste en langste vlasvezels geweven; later ook van wol of katoen (Van Dale, pag. 256). [N 59, 201; N 62, 98]
II-7
|