| 20110 |
leeuwenbek |
leeuwenbek:
leeuwenbek (L265p Meijel),
eigen spellinsysteem
lèèwebekke (L265p Meijel)
|
Leeuwenbekje (antirrhinum majus). De onderste bladeren staan bijna altijd kruisgewijs, de bovenste verspreid. Grote (ruim 3 cm), verschillend gekleurde bloemen met korte, brede kelkbladeren. De bloemen staan in trossen aan de stengeltoppen (kalfssnuit, kn [N 92 (1982)] || Welke dialectbenamingen hebt u voor verschillende snijbloemen: Antirrhinum majus (leeuwenbek) [N 73 (1975)]
III-2-1, III-4-3
|
| 33883 |
leewater |
leewater:
lē̜watǝr (L265p Meijel)
|
Gewrichtsontsteking bij veulens - ook bij kalveren en hoenders -, door een vochtophoping, veroorzaakt door een besmetting die bij veulens vooral via een navelwond binnendringt. [A 48A, 12c; N 8, 90m en 90n; monogr.]
I-9
|
| 34067 |
lege eerste koe |
gust (bijvgl. nmw.):
gøst (L265p Meijel),
schot:
šǫt (L265p Meijel)
|
Jong rund dat eenmaal heeft gekalfd, maar dat daarna niet meer drachtig wil worden of waarmee men niet verder wil fokken. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 25b; N C, 15; monogr.]
I-11
|
| 27003 |
leger |
leger:
lēgǝr (L265p Meijel),
ligger:
ligger (L265p Meijel)
|
Dubbele rij op elkaar liggende turven waartegen de turf in slag wordt gezet. [II, 79a]
II-4
|
| 27006 |
legertouw |
legertouw:
lē̜ggǝrtǫw (L265p Meijel)
|
Meettouw voor het maken van het leger. [II, 79c]
II-4
|
| 28498 |
leggende werkbij |
legbij:
lęx˱bę̄j (L265p Meijel)
|
Een werkbij die eieren legt. Bij moerloosheid kunnen ook werkbijen optreden als eierenlegster. Maar zij doen dit leggen niet zo goed als de moer. De eieren zijn echter onbevrucht, omdat de werkbij geen darrenzaad heeft ontvangen. Uit de eieren komen alleen darren. Eieren van leggende werkbijen vindt men altijd aan de rand van een cel. Een koningin legt in het midden van de cel. Zie voor de fonetische documentatie van (werkbij) het lemma Werkbij en van (bij) het lemma Bij. [N 63, 62a]
II-6
|
| 29060 |
legger |
legger:
lęgǝr (L265p Meijel)
|
Een veel voorkomende zwelling of slijmbeursje van verschillende grootte aan de achterkant van de elleboog. Ze ontstaat door de druk van de kalkoenen der voorijzers op het gewricht, als het dier over een te kleine ligplaats beschikt en daardoor met de borst op de onder het lijf getrokken voeten ligt. De legger is een schoonheidsfout, die bij het lopen niet hindert maar wel pijnlijk kan zijn. [N 8, 32.1, 90d, 90f en 90g; monogr.]
I-9
|
| 33409 |
legnest |
legnest:
lexnest (L265p Meijel),
lęxnēst (L265p Meijel)
|
Het nest waarin de kippen hun eieren leggen. Est is door metanalyse uit nest ontstaan. [N 19, 32; A 48, 16e; monogr.; add. uit S 25]
I-6
|
| 23465 |
lei(en) |
lei(en):
leije (L265p Meijel),
leͅj (L265p Meijel),
schalie(s):
schale (L265p Meijel)
|
Een lei, de leien op het dak van de kerk [laj, lajje?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34147 |
leiden |
leiden:
lęi̯ǝ (L265p Meijel)
|
De koe laten paren. [N 3A, 30a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|