| 31056 |
likhout |
likstok:
lekstok (L265p Meijel)
|
Een stuk hout, er uitziend als een stoelsport, gebruikt om de zolen stevig te polijsten. Volgens de informant van K 278 heeft dit stuk ongeveer de vorm van een deegrol. Zie afb. 57. [N 60, 122c]
II-10
|
| 20492 |
likken |
lebberen:
lèbbere (L265p Meijel),
lekken:
lekkə (L265p Meijel),
lekken
lèkkə (L265p Meijel),
polijsten:
polęjstǝ (L265p Meijel)
|
Het leer gladmaken met behulp van polijstinstrumenten of met een glad stuk hout met kracht over de bevochtigde zool wrijven. [N 60, 122a; N 60, 122b] || likken; Hoe noemt U: Met de tong over iets heen en weer gaan om zo het voedsel op te nemen (likken, lekken, leppen) [N 80 (1980)]
II-10, III-2-3
|
| 31071 |
likker |
likker:
lekǝr (L265p Meijel)
|
Het polijstinstrument in het algemeen. Volgens de informant van Q 235 duidt de benaming bout om het even welk werktuig aan met een gladde kop waarmee men met kracht over het leer wrijft. [N 60, 135a]
II-10
|
| 20904 |
limonade |
limonade:
limenaade (L265p Meijel)
|
limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)]
III-2-3
|
| 28645 |
lindehoning |
lindehoning:
lenjǝhoneŋ (L265p Meijel)
|
Honing afkomstig van de lindebloesem. De linde is met koolzaad, heide, fruit en klaver één van de belangrijkste drachtbronnen. Men spreekt van lindehoning, heihoning enz., wanneer de nectar van die bepaalde boom of plant voor het grootste deel de grondstof vormt voor honing. Naast de genoemde drachtbronnen kunnen allerlei soorten bomen en planten als acacia, distel, korenbloem, wilde klaver, boekweit en kastanje leveranciers zijn van nectar. Per plant of boom is de hoeveelheid bloesem en dus ook de nectar van jaar tot jaar wisselvallig en sterk afhankelijk van factoren zoals weer en vruchtbaarheid van de bodem. De verschillende drachtbronnen beīnvloeden kleur, smaak, vochtigheidsgehalte en geur van de honing. Zo is lindehoning amberkleurig en dun vloeibaar met een naar munt zwemende geur (De Roever, pag. 380). [N 63, 112b; Ge 37, 133; monogr.]
II-6
|
| 21478 |
liniaal |
liniaal:
liniaal (L265p Meijel),
ps. invuller noteert hier een i + j (en geen "ij").
linijaal (L265p Meijel),
meetstok:
méétstok (L265p Meijel)
|
een dunne rechte lat met een maatverdeling om er lijnen langs te trekken [liniaal, linie, regel, regelet] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 26973 |
linie-ijzer |
lijnijzer:
lenježǝr (L265p Meijel)
|
Bij de maatschappijvervening een minder gebruikt snij-ijzer. Het wordt hier voornamelijk gebruikt voor het afsnijden van putten of voor het over een grote afstand afbakenen van de veenderij. [II, 39]
II-4
|
| 26792 |
linieijzer |
lijnijzer:
lenježǝr (L265p Meijel),
lęjnežǝr (L265p Meijel)
|
Een halve-cirkelvormige ijzeren schijf aan een steel met dubbele handgreep, waarmee men de dikte van de turf aansnijdt. [I, 54a; N 18, 15]
II-4
|
| 34091 |
linkerachterkwartier |
achterste kwartier links:
axtǝrstǝ kǝrtīr leŋks (L265p Meijel)
|
Het kwartier van de uier links achter. In de vraagstelling stond erbij wat betreft de positie van de kwartieren "van achteren gezien". [N 3A, 116b]
I-11
|
| 26934 |
linkerarm van een wijk |
linkse arm:
leŋksǝ ɛ̄rǝm (L265p Meijel)
|
[II, 31c]
II-4
|