| 33813 |
lomp paard |
knol:
knǫl (L265p Meijel)
|
[JG 1a; N 8, 62h]
I-9
|
| 17688 |
long |
long:
lŏng (L265p Meijel)
|
long, longen [loos, leus] [N 10a (1961)]
III-1-1
|
| 34264 |
longen |
loos (enk):
luǝs (L265p Meijel),
lōrs (L265p Meijel)
|
De longen of de long van het grootvee in het algemeen. [N 28, 88b]
I-11
|
| 30548 |
lood inleggen |
(de) schoorsteen in lood zetten:
šōrstiǝn en lūǝt ˲zetǝ (L265p Meijel)
|
Loden loketten in de voegen van het metselwerk aanbrengen. [N 32, 48b]
II-9
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
loeijd (L265p Meijel)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 27687 |
loods |
loods:
lots (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Domaniale])
|
Algemene benaming voor een gebouw waar materialen zoals machines (Q 121c) of stijlen (L 374) kunnen worden opgeslagen. [N 95, 11]
II-5
|
| 30579 |
loodvergiftiging |
loodvergiftiging:
luǝt˲vǝrgeftegeŋ (L265p Meijel)
|
Ziekte die ontstaat ten gevolge van het werken met loodhoudende verfstoffen. [N 67, 101; monogr.]
II-9
|
| 33679 |
loodzand |
grijze aarde:
grēš ē̜rt (L265p Meijel)
|
De loodgrijze zandlaag onder de heizode. [N 27, 17]
I-8
|
| 24846 |
loof |
blader:
eigen spellingsysteem
bleer (L265p Meijel),
blèèr (L265p Meijel),
Nijmeegs (WBD)
blaar (L265p Meijel),
loof:
eigen spellingsysteem
lof (L265p Meijel),
Nijmeegs (WBD)
lof (L265p Meijel),
oude spellingsysteem
loaf (L265p Meijel)
|
De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
afblāi̯ǝ (L265p Meijel)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|