| 28095 |
mechanische pijler |
mechanische pijler:
mechanische pijler (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Pijler waarin een machine zorgt voor het losmaken, laden en transporteren van de kolen. In de mijn van Eisden wordt volgens de invuller uit Q 7 in zo''n mechanische pijler een ploeg of een zaag gebruikt. [N 95, 282; N 95, 596; N 95, 598; monogr.]
II-5
|
| 18235 |
medaillon |
hartje-zoutje:
(zonder portret). soms: zie bij 48.
harte-zoutje (L265p Meijel),
medaille:
medaillie (L265p Meijel),
medaillon:
midaljòn (L265p Meijel),
(met foto).
medajjon (L265p Meijel)
|
rond, ovaal- of hartvormig sieraad waarin een portretje of iets dergelijks bewaard wordt [medaillon, mejonneke, boot, coulant] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 23744 |
medaillon met lam gods |
lam gods:
lam gods (L265p Meijel)
|
Een hartvormig medaillon van was, waarop een lam met kruisvaan is afgebeeld. Dit medaillon werd gedragen [Agnus Dei, Lam Gods?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18855 |
medelijden |
compassie:
kompassie (L265p Meijel),
kómpasĭĕ (L265p Meijel),
kómpassie (L265p Meijel),
medelijden:
medelije (L265p Meijel)
|
een gevoel van smart over het leed van andere mensen [medelijden, kompassie, deernis, deer] [N 85 (1981)] || gevoel van smart over het leed van andere mensen
III-1-4
|
| 23682 |
meditatie |
meditatie (<fr.):
meditāsi (L265p Meijel)
|
Een meditatie, geestelijke overweging. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21038 |
meel |
meel:
mę̄l (L265p Meijel)
|
Het gemalen, maar nog niet bewerkte graan. Het woordtype boulté, het voltooid deelwoord van het Waalse ɛboulterɛ, ɛbouleterɛ, ø̄builenø̄, duidt er mogelijkerwijs op dat het graan in de genoemde plaatsen al een bepaalde bewerking heeft ondergaan. Zie ook het lemma ɛgemalen, niet gezuiverd graanɛ in wld II.1, pag. 85.' [Wi 53; JG 1a; JG 1b; l monogr.; N O, 37b; Sche 49; Sche 55; Vds 144; Vds 145; Vds 159; Jan 151; Jan 167; Jan 242; Coe 152; Coe 217; Grof 153; Grof 176; monogr.; Vld; Jan 9; Jan 10; Jan 11; Jan 14; Coe 9; Coe 14; N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; A 42A, 36 add.; N O, 19b]
II-3
|
| 25646 |
meel dat gebruikt wordt voor peperkoekdeeg |
rogge:
rogge (L265p Meijel)
|
[N 29, 88a; N 29, 88b]
II-1
|
| 26517 |
meelbak |
meelbak:
[meel]bak (L265p Meijel)
|
De houten bak onderaan de meelpijp waaraan de te vullen meelzak wordt bevestigd. Zie ook afb. 83 en 84. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 24c; A 42A, 41; Sche 56; Vds 164; Jan 168; Coe 153; Grof 182; N D, 23; monogr.; A 42A, 40; N O, 24a; N D, 33]
II-3
|
| 26459 |
meeljagers |
jagers:
ję̄gǝrs (L265p Meijel)
|
De twee ijzers of lapjes aan de loper die dienen om het meel naar de meelpijp te drijven. De meeljagers zijn bevestigd ofwel aan de ijzeren banden die de loper moeten verstevigen ofwel in de kraangaten van de loper. [N O, 18s; Vds 158; Jan 163; Coe 148; Grof 175; A 42A, 31 add.; A 42A, add. N D, add.]
II-3
|
| 24421 |
meelmijt |
meelworm:
mèlwörm (L265p Meijel)
|
mijt die in vochtig meel leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|