| 28651 |
onverzegelde honing |
losse honing:
losǝ honeŋ (L265p Meijel)
|
Honing uit een niet verzegelde raat. [N 63, 114b; N 63, 114a; monogr.]
II-6
|
| 33544 |
onvolgroeide vrucht |
groene kratsel:
eigen spellingsysteem
gruun kratselen (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
kratsel:
eigen spellingsysteem
kratsel (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
kroos:
oude spellingsysteem
kroos (L265p Meijel),
krummel:
oude spellingsysteem
krumel (L265p Meijel)
|
Een onvolgroeide vrucht (krots, gast). [N 82 (1981)] || Onvolgroeid, gezegd van een vrucht (vernepen). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 34310 |
onvruchtbaar vrouwelijk varken |
kween:
kwin (L265p Meijel)
|
Door organische afwijkingen onvruchtbaar vrouwelijk varken. [N 76, 10; JG 1c, 2c]
I-12
|
| 34456 |
onvruchtbare geit |
steenbok:
stęnbok (L265p Meijel)
|
De antwoorden kunnen zowel op een onvruchtbare geit in het algemeen duiden als op een onvruchtbare vrouwelijke geit. [N 19, 72; JG 1a, 1b; N 77, 84; monogr.]
I-12
|
| 33682 |
onvruchtbare grond |
lichte grond:
lēxtǝ gront (L265p Meijel),
magere grond:
māgǝrǝ gront (L265p Meijel),
slechte grond:
slɛ̄xtǝ gront (L265p Meijel)
|
Grond van slechte kwaliteit. De oorzaak kan verschillend zijn. Het gevolg is echter een slecht landbouwproduct. [N 27, 31; N 27, 29; N 11, 2d; N 11, 2f; A 10, 4; N 6, 33a; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 34151 |
onvruchtbare koe |
kween:
kwēn (L265p Meijel)
|
In dit lemma duiden de benamingen niet alleen op een koe die bij de dekking niet is bevrucht maar ook op een rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen dat wil zeggen half stier en half koe is. Ook tweeling-runderen zijn vaker onvruchtbaar. [N 3A, 102; N 3A, 103; N 3A, 150h; N 3A, 150i; JG 1a, 1b; A 4, 14; L 20, 14; monogr; add. uit N C]
I-11
|
| 23979 |
onwaardig |
onwaardig:
oenweerdig (L265p Meijel)
|
Onwaardig [ónwèèrdig, ónwuurdieg]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25119 |
onweersbui |
donderschoer:
dondersjoekr (L265p Meijel),
dŏndersjōēr (L265p Meijel),
dóndersjoe:r (L265p Meijel),
dóndersjoer (L265p Meijel)
|
donderbui, onweersbui || onweersbui met veel regen en wind [schoer, donderschoer] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25176 |
onweerx |
onweer:
onweer (L265p Meijel),
ŏnweer (L265p Meijel)
|
onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 17973 |
onwel |
misselijk:
misselik (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
niet goed:
nie goe (L265p Meijel),
nie gŏĕ zin (L265p Meijel),
niks waard:
niks werd (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
onwel:
onwel (L265p Meijel)
|
Onwel: zich niet gezond voelend (erg, onwel, onlustig, niet prut, kadies, dings). [N 84 (1981)] || Zich niet lekker voelen (spijten, kruchen, in de lappenmand zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|