| 24757 |
ooievaarsbek |
reigersbek:
eigen spellinsysteem
rijgersbek (L265p Meijel),
scharrekruid:
eigen spellinsysteem
sjarekroed (L265p Meijel)
|
Kleine ooievaarsbek (geranium molle 5 tot 40 cm hoge plant die kort behaard is; de bladeren zijn 5- tot 7-spletig met 3-delige slippen; de bloemen zijn zeer klein en bleekpaars van kleur; de vruchten zijn aangedrukt behaard. Bloeitijd van mei tot septem [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20356 |
oom |
oom:
oom (L265p Meijel)
|
de tak van een geslacht [natie, familie] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 19284 |
oordelen |
oordelen:
oordelle (L265p Meijel),
òrdélle (L265p Meijel),
òrdéllə (L265p Meijel),
schikken:
schikken (L265p Meijel),
tot een akkoord komen:
tot een accoord komen (L265p Meijel)
|
door redeneren tot een gevolgtrekking komen, oordelen [schikken] [N 85 (1981)] || oordelen; door redeneren tot een gevolgtrekking komen
III-1-4
|
| 25408 |
oorkernen verwijderen |
binnenste eruithalen:
benǝstǝ ǝrøtjhālǝ (L265p Meijel)
|
Met een scherp gepunt mes wordt het inwendige van het oor uitgesneden. [N 28, 69]
II-1
|
| 18238 |
oorknop |
oorknopje:
orkneupke (L265p Meijel),
orknöpkə (L265p Meijel),
orenknopje:
orreknupke (L265p Meijel)
|
sieraad min of meer in de vorm van een knop die men aan elk oor draagt [knop, oorknop, dormeuse] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 21746 |
oorlog |
krijg:
krieg (L265p Meijel),
oorlog:
oorlog (L265p Meijel),
òrlòch (L265p Meijel)
|
de strijd tusseen twee of meer volken, vorsten of staten [oorlog, krijg] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21186 |
oorlogsschip |
slagschip:
slagsjip (L265p Meijel)
|
een schip gebouwd en uitgerust om in de oorlog gebruikt te worden [manwaar] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 18237 |
oorring |
oorbel:
orbel (L265p Meijel),
oorbelletje:
òrbèlləkə (L265p Meijel),
orenbel:
orrebel (L265p Meijel)
|
zilveren of gouden ring die in elk van beide oren gedragen wordt [oorbel, bel, slinger] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 17873 |
oorveeg |
draai:
drèèj (L265p Meijel),
drééj (L265p Meijel),
oorveeg:
orvieg (L265p Meijel),
orenveeg:
orrevieg (L265p Meijel)
|
Oorveeg: slag om de oren (raps, oorveeg, opneuker, mot, blamot, appelvlink, sabelets, pees, lap, draai, laps, klap, lek, konkel, fleer, hababbel). [N 84 (1981)]
III-1-2
|