| 25581 |
opbollen |
opbollen:
opbǫlǝ (L265p Meijel)
|
De afgewogen deegstukken opbollen. Het opbollen dient om een mooie ronde bol te verkrijgen, waardoor het vormen van het brood veel gemakkelijker kan geschieden, dan wanneer men dit van het direct afgewogen stuk moet doen (Schoep blz. 99). Verder dient het om de fijnheid van rijs te beïnvloeden en de kleefstof soepeler te maken. Het opbollen kan met de hand of machinaal plaatsvinden. [N 29, 34; N 29, 30b; monogr.]
II-1
|
| 25632 |
opbollen van het beschuitdeeg |
opbollen:
opbǫlǝ (L265p Meijel)
|
[N 29, 59a]
II-1
|
| 26787 |
opborrelen van het grondwater |
opbortelen:
opbortǝlǝ (L265p Meijel)
|
Grondwater kan op een gegeven moment bulten vormen in de put. [I, 46a]
II-4
|
| 27769 |
opbraak |
opbraak:
opbrāk (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Een blinde schacht die in opwaartse richting wordt gedreven. De invuller uit L 417 merkt daarover voor de mijnen in Zwartberg en Waterschei op dat een opbraak en een neerbraak (zie het lemma Neebraak) een "beurkê", d.w.z. een blinde schacht, in opbouw zijn. [N 95, 183; N 95, 78; monogr.; Vwo 206; Vwo 567]
II-5
|
| 26874 |
opbreken van baggerturf |
opbreken:
opbrē̜kǝ (L265p Meijel)
|
Als de snijvlakken ingedroogd zijn, worden de turfblokken om de andere rij opgenomen en neergezet op de rijen blokken die zijn blijven staan. Al naar gelang het weer meer of minder droog is geweest, geschiedt dit opbreken zo''n 14 tot 21 dagen na het spreiden van de veensprei. [I, 109a]
II-4
|
| 27028 |
opbreken van het slag |
opbreken van het slag:
opbrē̜kǝ van ǝt slax (L265p Meijel)
|
Twee rijen turven uit het slag wegnemen en deze op de ligger leggen van het bed ernaast. Men neemt dan nog twee rijen en die legt men op hetzelfde bed als waaruit ze genomen zijn. In de ontstane opening wordt een ring opgebouwd. [II, 80a]
II-4
|
| 21880 |
opbrengst |
opbrengst:
upbrengst (L265p Meijel),
ópbréngst (L265p Meijel),
slotsom:
(totaal).
slotzoom (L265p Meijel)
|
dat wat iets bij verkoping oplevert, de opbrengst [schoor, winst] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 33205 |
opbrengst van een aardappelstruik |
bos:
bǫs (L265p Meijel)
|
Bij het woordtype kooksel wordt opgemerkt: "eigenlijk voldoende om éénmaal van te eten". [N 12, 19]
I-5
|
| 28631 |
opdoeken |
opdoeken:
opdūkǝ (L265p Meijel)
|
Een doek onder de korf steken. De uiteinden van de doek worden met pinnetjes of oognagels vastgezet aan de korfwand. Hierdoor verhindert men het wegvliegen van de bijen tijdens het reizen. [N 63, 104a; JG 2b-5, add.; monogr.]
II-6
|
| 17897 |
opeenschuiven |
schuiven:
sjuven (L265p Meijel),
stroppen:
strŏĕppə (L265p Meijel)
|
stroppen: Op elkaar schuiven (stroppen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|