| 32938 |
optassen, vouwen |
neerbermen:
nirbɛrmǝ (L265p Meijel)
|
Het eigenlijke laden van het hooi op de wagen. Vooral op de Kempense ladderkarren, zonder dichte zijschotten (zie het lemma ''hooikar'') is dit laden een zorgvuldig karwei: de bussels hooi worden dan met een draaiende slag, een "vouw", vast tegen elkaar aan gestapeld. Om praktische redenen moest er met zorg geladen worden: er moest immers zoveel mogelijk hooi op de wagen geladen worden; maar ook om redenen van beroepstrots: een goedgeladen oogstwagen is de trots van de boer. Om een slechtgeladen wagen zal hij worden bespot. [N 14, 120; A 34, 6]
I-3
|
| 32939 |
optasser |
bermer:
bɛrmǝr (L265p Meijel)
|
Degene die, staande op de kar, het hooi van de opsteker aanneemt en het er opstapelt. [N 14, 121b; A 34, 3b]
I-3
|
| 26249 |
optempelen |
optempelen:
optęmpǝlǝ (L265p Meijel)
|
De roeden of de molenas met behulp van de tempel optillen. In l 318 en l 321 werd dit werk altijd door de molenmeester (mø̄lǝmęjstǝr) maar nooit door de molenaar zelf gedaan. [N O, 35b]
II-3
|
| 17900 |
optillen |
heffen:
heffe (L265p Meijel),
höffə (L265p Meijel),
opheffen:
ophufven (L265p Meijel),
ophèùfə (L265p Meijel),
oplichten:
upligte (L265p Meijel),
tillen:
tillen (L265p Meijel)
|
(Op)heffen, tillen: in de hoogte heffen (beuren, heffen, tillen, lichten). [N 84 (1981)] || optillen [RND]
III-1-2
|
| 28579 |
optissen |
sissen:
sesǝ (L265p Meijel)
|
Het maken van geluid door de bijen als men de korf of kast opent. [N 63, 72]
II-6
|
| 29979 |
optoppen, oplangen |
opstoppen:
opstopǝ (L265p Meijel)
|
De steiger verhogen door de staanders met behulp van palen, de zgn. 'optoppers', te verlengen. De optoppers worden door middel van touwen aan de staanders gebonden en ze rusten op een op de staander gespijkerde, houten klos. [N 32, 5a; monogr.]
II-9
|
| 34000 |
optuigen |
getuig aantrekken:
gǝtyx˱ ęntrękǝ (L265p Meijel)
|
Een trekpaard van het nodige trektuig voorzien. Men zet het hoofdstel op het hoofd van het paard, plaatst het haam om zijn nek, legt het schoftzadel op zijn rug en doet het achterhaam aan. Tenslotte gespt men de verschillende delen aan elkaar. [JG 1b; N 8, 97a; monogr.]
I-10
|
| 30631 |
opverven |
afslijten:
afsletjǝ (L265p Meijel)
|
Het snel verslijten van een kwast. [N 67, 31c]
II-9
|
| 21939 |
opvliegen |
wegvliegen:
weͅxvlīgə (L265p Meijel)
|
Hoe benoemt U allerlei vormen van vliegen: starten, wegvliegen, opvliegen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 28104 |
opvullen |
blazen:
blǭzǝ (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits]),
vullen:
vølǝ (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Een ontkoold pand met stenen en/of zand opvullen. [N 95, 541; N 95, 542; N 95, 543; N 95, 555; monogr.; Vwo 731; Vwo 732; Vwo 847]
II-5
|