| 18100 |
roos (rode uitslag) |
roos:
roejs (L265p Meijel),
roës (L265p Meijel),
rôes (L265p Meijel)
|
huiduitslag, Rode ~ met jeuk (roos, bresil, zomerbrand). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 22426 |
roos van de schietschijf |
roos:
roes (L265p Meijel),
roeës (L265p Meijel),
rōəs (L265p Meijel)
|
De ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf [roos, gaudeaan]. [N 88 (1982)] || Roos: ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf.
III-3-2
|
| 33376 |
rooster in de mestgoot |
rooster:
rø̜stǝr (L265p Meijel)
|
Soms ligt onder in de mestgoot een rooster, een plank of plaat met gaten, die de mest tegenhoudt en alleen de gier moet doorlaten. Onder dit rooster bevindt zich een goot die met de gierput in verbinding staat. Zie ook afbeelding 10.A.e bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 42b]
I-6
|
| 20537 |
roosteren |
roosteren:
rustere (L265p Meijel),
röstərə (L265p Meijel),
rustere of op n ruster braoije
rustərə (L265p Meijel)
|
roosteren; Hoe noemt U: Op een rooster braden (roosteren, horsen, hersen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 30030 |
roosterschuif |
schuif:
šȳf (L265p Meijel)
|
De schuif waarmee de uitstroomopening van de blusbak kan worden afgesloten. Voor de schuif bevindt zich doorgaans een rooster waarmee ongebluste deeltjes in de kalk kunnen worden opgevangen. Dergelijke harde stukjes werden in Q 121 'mannetjeren' ('m'nšǝrǝ') genoemd. [N 30, 32d; monogr.]
II-9
|
| 30662 |
roostertje |
verfafdruiproostertje:
vɛ̄rǝf˱af˱drøprǫstǝrkǝ (L265p Meijel)
|
Afdruiproostertje op het verfbakje dat wordt gebruikt om de verf regelmatig over de verfrol te verdelen. [N 67, 46c]
II-9
|
| 34607 |
rosbak |
rosbak:
ros˱bak (L265p Meijel)
|
Onder de kar opgehangen bak of mand voor proviand. [N 17, 85]
I-13
|
| 34606 |
rosdoek |
rosdoek:
rǫs˱duǝk (L265p Meijel)
|
Een onder de kar opgehangen doek waarin onder meer paardenvoer kan worden opgeborgen. [N 17, 84; A 26, 3a; monogr]
I-13
|
| 33924 |
roskam |
roskam:
roskamp (L265p Meijel)
|
IJzeren kam met 4 à 8 fijngetande en op regelmatige afstand van elkaar op de vlakke onderzijde geplaatste kamboorden om paarden - ook koeien- te kammen of te rossen, voornamelijk om het stof, plukjes, strootjes e.d. uit het paardehaar te kammen. Vooraan is een afzonderlijke naar boven wijdgetande kamboord. Over alle vlezige delen, te beginnen met het kruis, wordt tegen de haren in gekamd; beenachtige gedeelten worden niet geroskamd. Is het paard fijn van haar of glad gestreken, dan heeft de roskam geen zin. Daarna dient het paard geborsteld te worden met de roskam in de ene en de borstel in de andere hand. Zie afbeelding 24. [N 18, 139]
I-9
|
| 33923 |
roskammen |
rossen:
rǫsǝ (L265p Meijel)
|
Met borstel en kam - zie het volgende lemma - reinigen. [N 8, 102]
I-9
|