| 27553 |
scheenbeschermer |
scheenbeschermer:
šēnbǝšɛrmǝr (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
Bescherming voor het scheenbeen. Het dragen van deze beenkappen kan worden voorgeschreven in dikke lagen, in steile pijlers, bij het werken aan steendammen en bij het nabreken. [N 95, 885]
II-5
|
| 23557 |
scheepje voor de wierook |
scheepje:
sjepkə (L265p Meijel),
schuitje:
sjuutje (L265p Meijel)
|
Het scheepje waarin de wierookkorrels worden bewaard [scheepke, schipke, schuitje, sjuutje?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 27066 |
scheepskruier |
kruier:
krø̜jǝr (L265p Meijel),
scheepskruier:
šēpskrø̜jǝr (L265p Meijel)
|
Deze kruier kruit de turf het schip op. Aangezien de tussenkruier ook soms de turf het schip op kruit, is er een aantal opgaven dat op de tussenkruier slaat. Een tussenkruier wordt ingezet, als de afstand tussen het zetveld en het te laden schip groot is. [II, 75b]
II-4
|
| 27069 |
scheepsploeg |
ploeg:
plux (L265p Meijel)
|
Ploeg van mensen die het schip vol laadt. [II, 93]
II-4
|
| 18402 |
scheermes |
schaars:
sjars (L265p Meijel),
scheermes:
sjèèrmes (L265p Meijel),
sjérmes (L265p Meijel, ...
L265p Meijel)
|
een mes waarmee men de baardharen afscheert [scheermes, schars, schors] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 27034 |
scheerturf |
scheerturf:
šęrtø̜rǝf (L265p Meijel)
|
Turf in de lengte liggend van een stapel. De basis van een ring wordt gevormd door telkens één scheerturf tegenover twee kopturven. [II, 80f]
II-4
|
| 34587 |
schei |
scheien:
šei̯ǝ (L265p Meijel)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 26591 |
scheiden |
scheiden:
šęjǝ (L265p Meijel)
|
Tijdens het malen overgaan op ander graan. [N O, 36g]
II-3
|
| 22148 |
scheidingswand tussen verschillende hokjes in een duivenmand |
scheidingswand:
šēͅjeŋswant (L265p Meijel)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: scheidingswand tussen verschillende hokjes? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 26160 |
scheigaten |
scheigatter:
šęjgatǝr (L265p Meijel)
|
De gaten in de roeden waarin de dwarse latjes, de hekscheien, zijn bevestigd. [N O, 2o]
II-3
|