29937 |
blad van de troffel |
troffelblad:
[troffel]bla (L265p Meijel)
|
Het driehoekige metalen blad van de troffel, dat dient om de specie op de steen aan te brengen en uit te strijken. De afmeting van het blad kan, afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, verschillen. Het blad van een troffel heeft een gebogen en een rechte zijde. De rechte kant wordt gebruikt voor het opvangen van uitpuilende specie, de gebogen kant voor het hakken van stenen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(troffel-)' het lemma 'troffel'. [N 30, 7b; monogr.]
II-9
|
33043 |
blad van de zicht |
zicht:
[zicht] (L265p Meijel)
|
Het gebogen ijzeren deel van de zicht dat aan de onderkant van de steel bevestigd is. Met de scherpe, holle kant wordt het koren, graan, enzovoorts gemaaid. Vergelijk de algemene toelichting bij paragraaf 4.2 met name voor wat betreft de gelijkenis van het blad van de zicht met dat van de zeis, en ook de toelichting bij het lemma ''blad van de zeis'' (3.2.11) in aflevering I.3 en de daarbij horende kaart. Zoals bij de zeis vindt men ook hier, bij het "werkende deel" van het gereedschap, de benamingen van het gereedschap als geheel: zicht en pik. Zie afbeelding 5. Voor de fonetische documentatie van het woord [zicht] zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 70c; JG 1a; monogr.]
I-4
|
19402 |
blad van een lepel |
lepel:
lippel (L265p Meijel),
lippəl (L265p Meijel),
schep:
sjup (L265p Meijel)
|
Het holle gedeelte van een lepel waarin het eten wordt opgeschept (lepel, holte) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
26748 |
blad van het lijnijzer |
mes:
męs (L265p Meijel)
|
[I, 54b]
II-4
|
32972 |
blad, bladeren van een plant |
blad:
bla (L265p Meijel),
blader:
blar (L265p Meijel),
blār (L265p Meijel)
|
Blad, als deel van een plant. De meervouden en verkleinwoorden zijn apart behandeld. [JG 1a, 1b; A 3, 1; L 1, a-m; L 4, 1; L 14, 16; L 32, 21; S 3; R 7, 25; R 12, 26; monogr.]
I-4
|
24718 |
bladerloze boom |
(boom) zonder blaren:
eigen spellingsysteem
bom z(onder) blèr (L265p Meijel),
een bom zonderbleer (L265p Meijel),
kale boom:
Nijmeegs (WBD)
kaalə bom (L265p Meijel),
zieke boom:
oude spellingsysteem
(ziek) (L265p Meijel)
|
Een boom zonder bladeren (ijlboom). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
30583 |
bladgoud |
compositiegoud:
compositiegoud (L265p Meijel)
|
Tot zeer dunne bladen geperst goud. [N 67, 11a; N 67, 11b; monogr.]
II-9
|
28649 |
bladhoning |
acaciahoning:
akāsiahoneŋ (L265p Meijel),
honingdauw:
honeŋdǭw (L265p Meijel)
|
Het zoete, kleverige vocht op takken en bladeren, afkomstig van bepaalde luizen, dat de bijen soms naar hun korven of kasten brengen. Bladhoning is vaak zeer donker van kleur. In drachtpauzes kan bladhoning de bijen soelaas bieden. [N 63, 113; N 63, 112b; monogr.]
II-6
|
24827 |
bladknop |
binnenoog:
binnənôêch (L265p Meijel),
buitenoog:
böṭjənôêch (L265p Meijel),
kopoog:
kòbôêch (L265p Meijel),
oog:
ōēch (L265p Meijel),
ôêch (L265p Meijel),
slapend oog:
slaopənt ōēch (L265p Meijel),
slaopənt ôêch (L265p Meijel)
|
Hoe noemt u: de bladknoppen waaruit de scheuten of loten tevoorschijn komen (oog) [N 74 (1975)] || Hoe noemt u: de verschillende soorten ogen (buitenoog, binnenoog, slapend oog, eindoog) [N 74 (1975)]
III-4-3
|
33504 |
bladkool, snijkool |
bladkool:
"nieuw soort voedsel
bladkool (L265p Meijel),
kop los moes:
ko moes los (L265p Meijel)
|
[N Q (1966)]bladkool [N 12A (1965)]
I-7
|