| 22342 |
vuistslag op de rug |
dof:
dof (L265p Meijel),
duf (L265p Meijel),
dreun:
dreun (L265p Meijel),
opdoffer:
opdoffer (L265p Meijel),
opdonder:
n opdonder géve (L265p Meijel)
|
Een slag met de vuist op iemands rug [druts, does, dof]. [N 88 (1982)] || slaan, Met een vuist in de rug ~ (doffen). [N 84 (1981)]
III-3-2
|
| 27009 |
vuller |
vuilers:
vøldǝrs (L265p Meijel)
|
De vuiler vult de kruiwagen met turf. [II, 73]
II-4
|
| 28116 |
vulschop |
vullepel:
vøllepǝl (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits]),
vulschup:
vølšøp (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Laura, Emma, Maurits])
|
Beweegbaar mondstuk aan het uiteinde van de blaasbuis waarmee men het uitgeblazen opvulmateriaal van richting kan laten veranderen. [N 95, 560; monogr.]
II-5
|
| 26242 |
vulstukken, wiggen |
spieën/spijen:
spęjǝ (L265p Meijel)
|
De stukken hout waarmee de ruimte tussen de molenas en de kruisarmen wordt opgevuld. Zie ook afb. 50. [N O, 11g; A 42A, 10; N O, 11h]
II-3
|
| 28114 |
vultrechter |
vultrechter:
vøltrɛxtǝr (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
De vultrechter, onderdeel van de blaasmachine, waarin het opvulmateriaal gestort wordt. [N 95, 558]
II-5
|
| 27058 |
vuren |
vuren:
vȳrǝ (L265p Meijel)
|
Het bijeenbrengen van de gedroogde turf op stapels van 60 m3 is in L 244b vuren. In L 265 verstaat men onder vuren het in hopen zetten van turf, soort bij soort. [II, 85a]
II-4
|
| 19544 |
vuursteen |
vuursteentje:
vuurstenke (L265p Meijel),
vyrstęnkǝ (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Maurits])
|
De vuursteen uit het ontstekingsmechanisme van de veiligheidslamp. [N 95, 245; monogr.] || vuursteen in de tondeldoos [N 20 (zj)]
II-5, III-2-1
|
| 19813 |
vuurtang, sinteltang |
tang:
tāŋ (L265p Meijel)
|
vuurtang [N 05A (1964)]
III-2-1
|
| 30004 |
vuurvaste mortel |
vuurvaste spijs:
vȳrvastǝ [spijs] (L265p Meijel)
|
Mortel voor vuurvast metselwerk. Vuurvaste mortel wordt volgens de invuller uit L 321 gebruikt voor stoomketels, kachels en fornuizen. Zwiers II (pag. 548) geeft als grondstoffen voor vuurvaste mortel: zeer schrale klei of één deel portlandcement en drie delen zand met zo weinig mogelijk water aangemaakt. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(spijs)' het lemma 'Mortel'. [N 30, 38c]
II-9
|
| 29814 |
vuurvaste stenen |
chamottestenen:
šamǫtstiǝn (L265p Meijel)
|
Stenen die bestand zijn tegen vuur. Zij worden onder meer gebruikt bij de bouw van ovens. Het woorddeel chamotte- in de woordtypen chamottestenen en chamottebrikken verwijst naar het mengsel van fijngemalen scherven dat bij dit soort stenen aan de klei wordt toegevoegd. [N 30, 54b; N 98, 160 add.]
II-8
|