| 22040 |
broedschotel |
schotel:
šotəl (L265p Meijel)
|
Hoe heet verder: aarden schotel dienend als nest? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 34505 |
broedse kip die men niet wil laten broeden |
broedse hen:
brytsǝ hē̜n (L265p Meijel)
|
[N 19, 43b]
I-12
|
| 25388 |
broeien |
broeien:
brȳjǝ (L265p Meijel),
nat schouwen:
nāt šǫwǝ (L265p Meijel)
|
Het varken met heet water begieten om de haren en de opperhuid te weken, opdat de haren gemakkelijk afgekrabd kunnen worden. [N 28, 19; monogr.]
II-1
|
| 30779 |
broeiglas |
tuindersglas:
tø̜jndǝrs˲glas (L265p Meijel)
|
Groen gekleurd glas dat vroeger door tuinders voor broeibakken en kassen werd gebruikt. [N 67, 89h]
II-9
|
| 18744 |
broek |
boks:
boks (L265p Meijel
[(Emma / Maurits)]
[Zwartberg, Waterschei])
|
Broek gemaakt van zeer stevige stof en voorzien van dubbele knieēn. Volgens een informant van Q 121 is de "kuilboks" een onderdeel van de "kuilmontuur". [N 95, 61; monogr.]
II-5
|
| 18540 |
broek met split |
boks met een gulp:
bŏks mi ’n gulp (L265p Meijel)
|
broek met een split aan de voorkant [fluitjesbroek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 24134 |
broek, veren aan de poten |
pater:
pāter (L265p Meijel),
veren:
vère (L265p Meijel)
|
veren aan de poten van een vogel (scherkes) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 18197 |
broek: algemeen |
boks:
bŏks (L265p Meijel),
bóks (L265p Meijel),
gij lopt ok altidj min afgezakte bóks (L265p Meijel),
gij lopt ŏk altitj mi ⁄n afgezakte bŏks (L265p Meijel),
hij hiel zin boks op me ne laerren riem (L265p Meijel)
|
broek in het algemeen || broek in het algemeen [boks, sjmeek, brits] [N 23 (1964)] || Broek. (Moeder zei tegen kleine Kees:) Jij loopt ook altijd met een afgezakte broek! [DC 39 (1965)] || Broeksriem. Hij hield z’n broek op met een leren riem. [DC 35 (1963)]
III-1-3
|
| 30922 |
broekbies |
broek:
bruk (L265p Meijel)
|
De achterbies welke naar onderen breed uitloopt en die de onderkant van de hiel, onmiddellijk boven de hak, aan beide zijden bedekt (Liedmeier, pag. 5). [N 60, 19]
II-10
|
| 18488 |
broekbies [wld ii.10, p. 26] |
broek:
bruk (L265p Meijel)
|
Bij sommige bottines liep de achterbies naar onderen breed uit en bedekte a.h.w. de hele hiel. Hoe noemde men deze bies (broek) Zie tek. 206b [N 60 (1973)]
III-1-3
|