| 34378 |
vleiwoord voor het varken |
kuus:
køš (Q034p Merkelbeek)
|
[VC 14, 2c v]
I-12
|
| 22154 |
vleugel |
vleugel:
vluëgel (Q034p Merkelbeek)
|
vleugel: elk der beide lichaamsdelen van vogels die hun tot vliegen dienen (wiek, zwing, vlerk, vleugel) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 22375 |
vlieger |
draak:
draak (Q034p Merkelbeek),
vlieger:
vleger (Q034p Merkelbeek)
|
Het speelgoed bestaande uit een licht gestel, met papier bespannen, dat aan een lang touw in de lucht opgelaten wordt [vlieger, boog, draak, beugel, vliegaard, vliegerd]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21192 |
vliegtuig |
vliegmachine:
vleegmachien (Q034p Merkelbeek)
|
het toestel waarmee men kan vliegen [vliegtuig, vliegmachine, vlieger] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21193 |
vliegveld |
vliegbaan:
vleegbaan (Q034p Merkelbeek)
|
het grote, effen terrein met verharde banen van waaraf vliegtuigen kunnen opstijgen en waar zij weer kunnen landen [vliegveld, vliegplein] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24392 |
vlinder |
pepel:
pepel (Q034p Merkelbeek),
pēəpəl (Q034p Merkelbeek),
péəpəl (Q034p Merkelbeek)
|
vlinder [GV Gr (1935)], [ZND 18G (1935)] || vlinder, algemeen [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 21784 |
vloek |
verwensen:
verwunsje (Q034p Merkelbeek),
vloeken:
vloke (Q034p Merkelbeek)
|
een uitdrukking die een verwensing, vooral een godslastering behelst [vloek, kneerp] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21395 |
vloeken |
sakkeren:
sakkere (Q034p Merkelbeek),
verwensen:
verwunsje (Q034p Merkelbeek),
vloeken:
vloke (Q034p Merkelbeek)
|
godslasterende woorden uitspreken [vloeken, parlesanten, godverren, nonnen, sjamfoeteren, bidden, sakken] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 18217 |
vod |
lommel:
loemel (Q034p Merkelbeek)
|
versleten stuk doek of stof [vod, bul, tod, slet] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 33229 |
voederbieten |
kroten:
krōtǝ (Q034p Merkelbeek)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris. De algemene benaming van de bieten die gekweekt worden om als veevoeder te worden gebruikt. De voederbiet groeit grotendeels boven de grond, in tegenstelling tot de suikerbiet waarvan alleen de bladerkruin boven de grond uitkomt. De plant gedijt het best op losse vochthoudende zandgrond en verdraagt zware stalmest- of gierbemesting. Het is vanouds een in Limburg veel verbouwd veevoeder dat in het eigen gemengde bedrijf werd benut. Voor de fonetische documentatie van het tweede woorddeel in de samenstellingen zoals voederbieten, waarvan dat tweede element ook als enkelvoudig woord in het lemma voorkomt, zie onder dat enkelvoudig woord, i.c. bieten. In de vragenlijsten is steeds naar de meervoudsvorm gevraagd. [N 12, 38; N 12A, 1; JG 1a, 1b, 1d, 2b, 2c; A 13, 2b; L 43, 4b; monogr.]
I-5
|