| 20720 |
kliekje |
kletje:
klɛtjə (L209p Merselo)
|
kliekje
III-2-3
|
| 17893 |
klieven |
kloven:
klȳǝvǝ (L209p Merselo),
klūǝvǝ (L209p Merselo),
splijten:
splītǝ (L209p Merselo)
|
Hout met een beitel of bijl in de lengterichting doorhakken, zodat het splijt. Zie ook het lemma ɛklievenɛ in de paragraaf over de kuipersvaktaal. Het betreft daar het klieven van stukken boomstam tot duigen.' [N 37, 8; N 50, 15a; N 75, 134a; monogr.]
II-12
|
| 24581 |
klimop |
kruipgroen:
kroepgruūn (L209p Merselo),
wintergroen:
hedera helix
wintergruūn (L209p Merselo)
|
klimop
III-4-3
|
| 17736 |
klinken |
klinken:
klēŋkǝ (L209p Merselo)
|
Twee metalen delen van een werkstuk met elkaar verbinden door middel van klinknagels. De al dan niet verwarmde klinknagel wordt daartoe eerst met behulp van de nageltang in het voorgeboorde gat van de aan elkaar te bevestigen delen geplaatst. Met de ophaler wordt de klinknagel vervolgens zo ver mogelijk opgetrokken. Dan wordt het penvormige uiteinde van de klinknagel met de klinkhamer tot een kop geslagen. Tijdens deze handelingen wordt het andere uiteinde van de klinknagel met behulp van de domper tegengehouden. De nieuwgevormde kop van de klinknagel wordt tenslotte met de dopper afgerond. Zie ook de lemmata "klinkhamer", "domper", "dopper", "nageltang", etc. IJzeren klinknagels boven 9 mm dikte worden voor verwerking doorgaans heet gemaakt in een veldsmidse of kleine gloeioven. Kleine, van koper, messing of zacht ijzer vervaardigde klinknagels kunnen ook koud worden geklonken. [N 64, 98; N 66, 44; monogr.]
II-11
|
| 34493 |
kloeken |
kloeken:
klukǝ (L209p Merselo)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een broedse kip. [N 19, 47; monogr.]
I-12
|
| 20950 |
klokhuis |
appelenkroos:
apələkruəs (L209p Merselo),
áppel(e)kroeës (L209p Merselo),
appelkroos:
apəlkruəs (L209p Merselo),
kroos:
kroeës (L209p Merselo)
|
klokhuis
I-7, III-2-3
|
| 24651 |
klokje (alg.) |
weiklokje:
campanula patula
wejklökske (L209p Merselo)
|
weideklokje
III-4-3
|
| 23478 |
klokkenluider |
klokkenluider:
klokkeluujers (L209p Merselo)
|
De personen die tijdens de grote processie de klokken luiden. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23450 |
klokkenstoel |
klokkenstoel:
klokkestoel (L209p Merselo)
|
De stellage, het toestel waarin de klok hangt [klokkegalg, klokkestoel]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23463 |
klokkentouw |
klokkentouw:
klokketouw (L209p Merselo)
|
Het touw om de klok te luiden [klokketouw, klokkereep, klokkezeel?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|