25548 |
deeg kneden |
kneden:
knējǝ (L209p Merselo),
knē̜jǝ (L209p Merselo)
|
Bepaalde grondstoffen t.w. bloem, gist, zout, vocht vormen het deeg. Eventueel worden er nog andere toevoegingen bijgevoegd. Dit deeg gaat men kneden om een massa te verkrijgen waarin de verschillende grondstoffen in de juiste verhouding zo volkomen en gelijkmatig mogelijk dooreengemengd zijn (Schoep blz. 90-91). Naast "kneden met de hand" komt voor "kneden met de voeten" of kneden met de deegmachine". De informant van L 428 merkt op dat "mengelen" het mengen der diverse ingrediënten inhoudt en het eigenlijk kneden ''knē̜jǝ'' is. In dit lemma wordt het object "deeg" niet fonetisch gedocumenteerd. Bij documentatie zou de meest voorkomende variant dęjx zijn geweest. Daarnaast zouden er nog varianten voorkomen als dēx, dē.x, dējx, dē̜k, dē.jx, tī.x, dījx, dix, dīx en di.x.' [N 29, 20b; N 6, 47; S 18; L 1a-m: monogr.; L 22, 41]
II-1
|
18910 |
degelijk |
grondig:
de grondige waarheid
grondig (L209p Merselo)
|
grondig [SGV (1914)]
III-1-4
|
19464 |
dekbed |
pulf:
pulf (L209p Merselo),
pulft (L209p Merselo)
|
dekbed || veren bovenbed
III-2-1
|
19396 |
deken |
deken:
Allemól die slaope ònder de endere deke, kri‰ge aensláng ok de endere streke: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet Onder de dekes kroepe: naar bed gaan
deke (L209p Merselo)
|
deken
III-2-1
|
24407 |
dekken |
berijden:
bereeje (L209p Merselo),
overdekken:
aoverdekke (L209p Merselo)
|
dekken, bevruchten || dekken, opnieuw laten —
III-4-2
|
19704 |
deksel |
dek:
dèk (L209p Merselo)
|
deksel [SGV (1914)]
III-2-1
|
34253 |
deksel van de karnton |
dek:
dęk (L209p Merselo),
karndek:
kęndęk (L209p Merselo)
|
Deksel met een opening voor de karnstaf. [A 7, 21; JG 1a, 1b; Ge 22, 38; N 12, add.]
I-11
|
32618 |
deksel van de metalen gierton |
klep:
klęp (L209p Merselo)
|
De zinken gierton wordt van boven afgesloten met een deksel dat scharnierend bevestigd is aan de kraag van de vulopening. [JG 1a + 1b; N 11A, 54b; monogr.]
I-1
|
33916 |
dempig |
dempig:
dɛmpex (L209p Merselo)
|
Gezegd van runderen of paarden met dempigheid, een bemoeilijking van de ademhaling; bij runderen is het vaak een naziekte van het mond- en klauwzeer. Het paard vertoont een versnelde ademhaling, gepaard met een temperatuursverhoging en hoesten. Dempigheid of kortademigheid is niet chronisch, in tegenstelling tot ''cornage'' (7.38). [JG 1b; A 48A, 38a; L 1, a-m; L 23, 1a en 1b; N 8, 87, 88 en 89a; N 52, 24; S 6]
I-9
|