| 20707 |
krentenbrood |
krentenbrood:
krentebraod (Q196p Mheer),
krentenmik:
kreentemik (Q196p Mheer),
verzamelfiche ook mat. van ZND 1 (a-m)
krèntemee :k (Q196p Mheer)
|
krentenbrood [SGV (1914)], [ZND 28 (1938)] || wittebrood met alleen krenten [DC 053A (1978)]
III-2-3
|
| 18224 |
kreukel |
valse plooi:
vaalsje plōēj (Q196p Mheer)
|
ongewenste, valse vouw of plooi in een kledingstuk [kreukel, kneuker, freutel] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 18223 |
kreukelen |
kreukelen:
kreukele (Q196p Mheer),
plooien:
et kleid ploeyt zeeg (Q196p Mheer)
|
Hoe noemt men het wanneer een kleed dat niet past, zich in plooien zet ? [ZND 32 (1939)] || zich in ongewenste plooien zetten, gezegd van een kledingstuk [kreukelen, kreuk] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 18875 |
kreunen |
jammeren:
ieëmere (Q196p Mheer),
kreunen:
kreune (Q196p Mheer),
kuimen:
kūūme (Q196p Mheer)
|
een zacht klagend geluid maken [kreunen, kermen, krengen, steunen, kriepen, kruchen] [N 85 (1981)] || kreunen [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 17994 |
kreunen van de pijn |
kermen:
kerme (Q196p Mheer),
kermt (Q196p Mheer)
|
hij kreunt van de pijn [ZND 28 (1938)] || Kreunen van pijn (koorgaan, kermeneren, kermen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18146 |
kreupel |
kreupel:
kruppel (Q196p Mheer)
|
Kreupel - Kent men in uw dialect het volgende woord in dezelfde of een min of meer afwijkende vorm, zoals b.v. krepel naast kreupel. [DC 17 (1949)]
III-1-2
|
| 24893 |
kreupelhout |
onderhout:
WLD
oonderhoot (Q196p Mheer)
|
Laag houtgewas met dooreengegroeide stammen en takken (onderhout). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33831 |
kribbebijter |
kribbebijter:
krebǝbītǝr (Q196p Mheer)
|
Nerveus paard dat met de snijtanden in de kribbe of op een ander hard voorwerp bijt, de lucht hoorbaar naar binnen zuigt en kreunt. Dit leidt dikwijls tot indigestie. Een kribbebijter is te herkennen aan de sterke afslijting van de wrijfvlakken, vooral aan de voorrand der snijtanden. Een kribbebijter zuigt wel lucht op; het woord is echter geen synoniem van windzuiger (4.4.5). [JG 1a, 1b; A 48A, 41b; N 8, 62o en 84f; add. uit N 52]
I-9
|
| 21343 |
krijgen |
krijgen:
kriege (Q196p Mheer)
|
krijgen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 22351 |
krijgertje spelen |
vangen:
vange (Q196p Mheer)
|
Het spel waarbij één kind anderen tracht in te halen en dan te tikken, waarna de getikte weer de vangman is (ook op dit spel bestaan talloze varianten; misschien kunt u die ook vermelden: de naam en hoe het gespeeld werd) [letsen, hets geven, hetske jagen [N 88 (1982)]
III-3-2
|