| 24975 |
rechtop |
rechtop:
rèèjt op (Q196p Mheer)
|
rechtopstaand, recht omhoog staand [fiks] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 22890 |
rechtsachter |
rechtsachter:
rèèjtsaajter (Q196p Mheer)
|
Linksachter, rechtsachter. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 21720 |
rechtspreken |
berechten:
berechte (Q196p Mheer)
|
rechtspreken [rechten] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 22883 |
rechtsvoor |
rechtsvoor:
rèèjtsvöör (Q196p Mheer)
|
Links- rechtsvoor. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 18961 |
rechtvaardig |
rechtvaardig:
rechtveerdig (Q196p Mheer)
|
handelend naar recht en billijkheid, rechtvaardig [gerecht, gerechtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25083 |
reeks, rij |
rij:
rie (Q196p Mheer),
riej (Q196p Mheer, ...
Q196p Mheer,
Q196p Mheer)
|
een rij van geregeld naast elkaar geplaatste dingen [resem, reeks] [N 91 (1982)] || rij [SGV (1914)], [ZND 19A (1936)]
III-4-4
|
| 30179 |
regels |
rijhouter:
rījhǭtǝr (Q196p Mheer)
|
De horizontale balkjes die tussen de stijlen bevestigd worden. Zie ook afb. 47. De horizontale balk die de hele muurbreedte overspande, werd in Q 97 de 'kettingbalk' ('kęteŋbalǝk') genoemd. De balken werden met behulp van een pen/gat-verbinding aan elkaar bevestigd. De pen noemde men 'kijl' ('kīl'), het aan elkaar bevestigen van de balken 'angen' ('aŋǝ'). Bij de bovengenoemde houtverbinding bedroeg de doorsnede van het gat altijd het derde deel van de totale breedte van de balk. [N 4A, 52b; N 31, 45 add.; monogr.; div.; Vld]
II-9
|
| 25171 |
regen (alg.) |
regen:
ringe (Q196p Mheer)
|
regen in het algemeen [rengel, majem] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25181 |
regenboog |
regenboog:
d⁄r ringebaog (Q196p Mheer)
|
regenboog [weerteken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25238 |
regenbuitje |
fiezeltje:
⁄n viezelke (Q196p Mheer),
schoertje:
⁄n sjeurke (Q196p Mheer)
|
licht regenbuitje [smeer, bui, stoes, getsbui, bies, zauwke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|