| 21086 |
schimmel |
schimmel:
šømǝl (Q196p Mheer)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 24491 |
schimmel (plantje) |
schimmel:
schummel (Q196p Mheer),
shummel (Q196p Mheer),
WLD
sjummel (Q196p Mheer)
|
Plantje, behorend tot de zwammen, draadvormig, zonder bladgroen, maar bestaande uit een zwamvlok en zwamdraden (schimmel). [N 92 (1982)] || schimmel (plant) [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 21440 |
schimpen |
schampen:
sjaampe (Q196p Mheer)
|
op onwaardige wijze kritiek uitspreken [schimpen, spijkeren] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 21244 |
schip |
schip:
scheep (Q196p Mheer),
sjeëp (Q196p Mheer),
šeəp (Q196p Mheer)
|
schip [RND], [SGV (1914)] || schip; de kapitein van het schip .... vroeger nog matroos geweest. [DC 45 (1970)]
III-3-1
|
| 21248 |
schipper |
schipper:
šipər (Q196p Mheer)
|
schipper [RND]
III-3-1
|
| 18923 |
schipperen |
verordonneren:
verordeneere (Q196p Mheer)
|
naar omstandigheden handelen, niet aan zijn beginsels vasthouden, maar alles rustig in het werk stellen om een oplossing te vinden [busselen, schipperen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 25045 |
schitteren |
schitteren:
sjittere (Q196p Mheer)
|
een sterk, beweeglijk licht verspreiden zodat het pijn doet aan de ogen [schitteren, glariën] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18272 |
schoen: algemeen |
schoen:
schoon (Q196p Mheer),
sjoon (Q196p Mheer)
|
schoen [SGV (1914)] || schoen [skoewn, schoe, sjoe, schoon, sjoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18369 |
schoen: spotnamen |
leren tram:
lèère tram (Q196p Mheer)
|
schoen: spotbenamingen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18303 |
schoenen (mv.) |
schoenen (mv.):
schoon (Q196p Mheer),
sjoon (Q196p Mheer)
|
Hoe noemt men de schoenen? Maakt men verschil tusschen hooge en lage schoenen? [DC 09 (1940)] || schoenen (mv.) [SGV (1914)]
III-1-3
|