| 33873 |
drachtige merrie |
vol:
vǫl (Q177p Millen)
|
De merrie "behoudt", als men na een drietal weken zekerheid heeft dat ze drachtig is; bij een miskraam "verwerpt" ze. [JG 1a, 1b; N 8, 50a]
I-9
|
| 33523 |
draden of randen van peulvruchten |
vamen:
vø͂ͅ.m (Q177p Millen)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|
| 17806 |
dragen |
dragen:
draoge (Q177p Millen)
|
dragen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 21153 |
dreef |
dreef:
dreef (Q177p Millen)
|
een lange dreef [ZND 23 (1937)]
III-3-1
|
| 18650 |
driesteek |
baret (<fr.):
beͅrat (Q177p Millen)
|
steek, hoed waarvan de (gedeeltelijke opgeslagen) luifel drie hoeken vertoont (bijv. een bepaalde priesterhoed) [drieteut, drietip, drejtik, tööt] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18866 |
driftig |
kwaad:
koot (Q177p Millen)
|
driftig [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 28640 |
drijfvoeren |
prikkelen:
prekǝlǝ (Q177p Millen)
|
Het voeren dat gebeurt, wanneer men de bijen tot het zetten van broed wil prikkelen. Wanneer de bijen nog behoorlijk in het voer zitten, hoeft de imker zich nergens om te bekommeren en kan hij het drijfvoeren laten. [N 63, 110c; Ge 37, 196]
II-6
|
| 33366 |
drinkbak voor de koeien |
kuip:
kǫu̯p (Q177p Millen)
|
Uit een aantal benamingen wordt niet duidelijk om welke soort van drinkbak het gaat: los of vast, ouderwets of modern. Andere benamingen geven aan uit welk materiaal de bak vervaardigd is. [L 38, 33; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 19574 |
drinkglas |
glas:
glōͅ.s (Q177p Millen),
pint:
pi.nt (Q177p Millen)
|
drinkglas [RND]
III-2-1
|
| 20564 |
droesem |
zaksel:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
zaksel (Q177p Millen),
zinksel:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
zenksel (Q177p Millen)
|
droesem [ZND 23 (1937)]
III-2-3
|