| 33223 |
sorteren met de machine |
mulderen:
mø̜ldǝrǝ (L163a Milsbeek)
|
Zie de toelichtingen bij de lemmaɛs Sorteren Met De Hand en Sorteermachine. [N 12, 33]
I-5
|
| 34576 |
spaak |
speek:
spēk (L163a Milsbeek),
speken:
spēkǝ (L163a Milsbeek)
|
Elk van de houten staven die de verbinding vormen tussen de velg van het wiel en de naaf. Afhankelijk van de omtrek van het wiel zijn er tien tot zestien spaken. Er zijn twee soorten spaken: ronde en platte. Voor zover ze specifieke benamingen krijgen, worden ze behandeld onder A resp. B. [N 17, 61a-b + 62a-b; N 18, 99; N G, 44a; JG 1a; JG 1b; JG 2b; S 34; A 4, 20b; L 20, 20b; L 7, 13; monogr.]
I-13
|
| 27920 |
spaanders |
spanen:
spø̜̄n (L163a Milsbeek
[(enkelvoud: spǭn)]
)
|
De kleine stukjes hout die losraken tijdens het werken met de beitel. [N 53, 51; monogr.]
II-12
|
| 32750 |
spade, spitschop |
schup:
sxøp (L163a Milsbeek),
spaadschup:
spǭi̯[schup] (L163a Milsbeek),
steekschup:
stę̄k[schup] (L163a Milsbeek)
|
Een schop met een vlak blad, dat min of meer in het verlengde van de steel geplaatst is. Deze schop wordt gebezigd voor het omspitten van de wendakkerhoeken, een lapje grond, de tuin e.d. Al naar gelang de streek en de ervaring is het blad van de spade hartvormig, trapeziumvormig of rechthoekig. Voor het tweede lid van de varianten van samenstellingen zie men het simplex schup verderop in het lemma. [N 11A, 147; N 18, 1 + 2 + 5 + 14; JG 1a + lb; L 7, 15; L 42, 40; Wi 5; Gwn 8, 2; GV, K 7; monogr.; div.]
I-1
|
| 30851 |
spanels |
spanels:
spanɛls (L163a Milsbeek)
|
De kleine, fijne, gebogen els waarmee gespannen wordt. Zie afb. 5. [N 60, 176d; N 60, 176b; N 60, 56]
II-10
|
| 30963 |
spannaad |
spannaad:
spannǭt (L163a Milsbeek)
|
De naad die ontstaat doordat men de randen van het leer naar binnen draait en aan de binnenkant vastnaait. Na het naaien spant men het leer op en wrijft men de naad glad. "Een spannaad heet een naad, die twee lederstukken zoodanig met elkaar verbindt, dat de kanten juist tegen elkaar komen, zoo zijn b.v. de zijnaden bij gezette laarzen, bij rijglaarzen, de achternaden bij laatstgenoemden en bij tonglaarzen, zoomede dikwerf de naden, die het tongblad met de schacht verbinden, spannaden of gespannen naden." (Knöfel I, pag. 174). Zie afb. 29. [N 60, 55]
II-10
|
| 17830 |
spannen |
tegeninnaaien:
tegǝnennɛ̄jǝ (L163a Milsbeek)
|
Twee stukken leer aan elkaar bevestigen met behulp van spanriem en spanblok. [N 60, 54b]
II-10
|
| 30912 |
spanriem |
spanriem:
spanrīm (L163a Milsbeek)
|
De leren riem waarmee men de te bewerken schoen of het schoenonderdeel vastklemt op de knie door middel van de voet. [N 60, 57]
II-10
|
| 33743 |
spanstokje |
spanhout:
spanhǭlt (L163a Milsbeek)
|
Stok of paaltje in de afrasteringsdraad waarmee men die draad spant. [N 14, 65]
I-8
|
| 20770 |
speculaas |
klaasje:
klø͂ͅskə (L163a Milsbeek),
klaasmop:
klōͅsmoͅp (L163a Milsbeek),
speculaas:
spekəlōͅs (L163a Milsbeek)
|
speculaas || speculaasje
III-2-3
|