| 20659 |
draad |
draad:
drōt (Q199p Moelingen),
vaam:
vǭǝm (Q199p Moelingen)
|
Samenhangend geheel van ineengedraaide vezels (van vlas, hennep, katoen, zijde of andere stof) tot een aanmerkelijke lengte dun uitgesponnen. Bij de antwoorden op de vraag naar draad of draad garen in de enquête van Schrijnen - Van Ginneken - Verbeeten (S) leest men nogal eens de opmerking dat ø̄draadø̄ ook van ijzer kan zijn, terwijl een ø̄draad garenø̄ vaam wordt genoemd. Daarom kunnen draad en vaam in eenzelfde plaats genoemd worden voor het begrip ø̄draadø̄. Het is ook duidelijk dat het algemeen Nederlandse draad het oudere vadem gaat verdringen. [N 62, 55b; N 62, 55a; L 1a-m; L 1u, 40; L 8, 29; L 17, 4; L A2, 304; L B1, 69; L B1, 76; Gi 1.IV, 26; Wi 5; S 27; monogr.]
II-7
|
| 17806 |
dragen |
dragen:
drōāge (Q199p Moelingen)
|
dragen [ZND m]
III-1-2
|
| 33662 |
dries |
dries:
drēš (Q199p Moelingen)
|
In onder andere de vragen N 14, 55 en L 19b, 3a is gevraagd naar de betekenis van dries. De antwoorden verschillen nogal van elkaar. De ene informant zegt dat dries een ø̄niet omheinde weiø̄ is, volgens de andere is dries een ø̄omheind stuk weilandø̄. De een noemt dries ø̄droge hoge weideø̄, de ander een ø̄laag stuk weilandø̄. Het kenmerk ø̄braakliggendø̄ scoort het hoogst. ø̄Met gras begroeidø̄ en ø̄onvruchtbareø̄ of ø̄minderwaardige grondø̄ zijn de daaropvolgende meest genoemde kenmerken. Op grond hiervan zou men dries als volgt kunnen defini√´ren: ø̄onvruchtbare, met gras begroeide grond die enige jaren braak ligt, voordat men ze bewerktø̄. Intussen kan men er wel schapen laten grazen. Van Dale (11de druk, blz. 661 s.v. dries) geeft als de eerste twee betekenissen ø̄braakliggende akkerø̄ en ø̄verarmd bouwland dat als (schapen)weide gebruikt wordtø̄. [N 14, 55; N 14, 52; N 14, 50a; N 14, 50b; N 6, 33b; L 19b, 3a; L 19b, 2aI; A 10, 4; Wi 15; RND 20; monogr.]
I-8
|
| 22655 |
drijftol |
kokkerel:
kukərēͅl (Q199p Moelingen)
|
Drijftol (speeltuig door middel van een zweep door kinderen gedreven). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 17862 |
dringen |
duwen:
duië (Q199p Moelingen),
stoten:
stoete (Q199p Moelingen)
|
niet dringen ! [ZND 33 (1940)]
III-1-2
|
| 33366 |
drinkbak voor de koeien |
krib:
krep (Q199p Moelingen)
|
Uit een aantal benamingen wordt niet duidelijk om welke soort van drinkbak het gaat: los of vast, ouderwets of modern. Andere benamingen geven aan uit welk materiaal de bak vervaardigd is. [L 38, 33; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 20499 |
drinken |
drinken:
dreenke (Q199p Moelingen)
|
drinken [Willems (1885)]
III-2-3
|
| 19574 |
drinkglas |
glas:
glās (Q199p Moelingen),
pint:
pē.nt (Q199p Moelingen)
|
drinkglas [RND]
III-2-1
|
| 25128 |
droog weer |
droog:
drūūch (Q199p Moelingen)
|
droog [RND]
III-4-4
|
| 25129 |
droogte |
droogte:
druugte (Q199p Moelingen)
|
droogte [ZND 33 (1940)]
III-4-4
|