| 20941 |
een boterham smeren |
een boterham smeren:
ən bùōͅtram smēͅrə (Q199p Moelingen)
|
smeren [RND]
III-2-3
|
| 22484 |
een cadeau geven |
schenken:
scheenke (Q199p Moelingen)
|
Schenken. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 34532 |
een ei |
ei:
ēi̯ (Q199p Moelingen)
|
[L 1a-m; L 3, 8; L 5, 79; L 26, 13b; L 30, 18b; L 35, 7; JG 1b; RND 123; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19112 |
een lastig karakter hebbend |
niet gemakkelijk:
e nès neet gemjekkelijk (Q199p Moelingen)
|
Hij is niet gemakkelijk, ... niet mak (een lastig karakter). [ZND 38 (1942)]
III-1-4
|
| 21568 |
eerder te weinig dan te veel gemeten |
kree gewaagd:
⁄t is krie gewōgt (Q199p Moelingen)
|
Hoe zegt men als een winkelier eerder te weinig dan te veel meet of weegt? Vertaal: Dat is ... gemeten, gewogen. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 23253 |
eerste luiden voor de mis |
de eerste keer luiden:
⁄t luidt der ierste kier (Q199p Moelingen)
|
Veelal wordt de kerkklok tweemaal gehoord voor men naar de mis gaat; hoe zegt men wanneer men ze voor de eerste maal hoort? [ZND 36 (1941)]
III-3-3
|
| 21564 |
eerste opbod |
opbieden:
opbeeien (Q199p Moelingen)
|
Eerste opbod bij een openbare verkoping. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 34536 |
ei zonder schaal |
liezenei:
lęi̯zǝęi̯ (Q199p Moelingen)
|
Ei dat alleen door een vlies is omgeven en dat geen schaal heeft. [N 19, 54a; N 7, 11; JG 1b, 1c, 2c; L 5, 80; Vld.; L B2, 366; monogr.]
I-12
|
| 24478 |
eik |
eik:
e:k (Q199p Moelingen)
|
eik [RND]
III-4-3
|
| 24479 |
eikel |
eikel:
ekəls (Q199p Moelingen)
|
eikels [RND]
III-4-3
|