| 18808 |
vanzelfsprekend |
natuurlijk:
dat es natuurlijk (Q199p Moelingen)
|
Dat is natuurlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 21254 |
varen |
varen:
vōāre (Q199p Moelingen, ...
Q199p Moelingen)
|
varen [ZND m]
III-3-1
|
| 34297 |
varken |
varken:
vɛ̄rkǝn (Q199p Moelingen),
varkentje:
vɛ̄rkskǝ (Q199p Moelingen)
|
Bedoeld wordt een varken in het algemeen, niet geslachtelijk of naar leeftijd onderscheiden. [N 19, 1; N M, 7; N C; N C, add.; RND 46 en 84; L 8, 19; L 8, 32; L mon.; S 39; JG 1a, 1b, 2c add.; R (s]
I-12
|
| 33359 |
varkensketel |
varkensketel:
vɛrǝkǝski̯ɛtǝl (Q199p Moelingen)
|
De ketel waarin het varkensvoer gekookt en gemengd wordt. Soms is het dezelfde ketel als die waarin het voer voor de koeien bereid wordt. Zie verder het lemma "veevoerkookketel" (2.2.10). [JG 1a; L 36, 96c; monogr.; add. uit A 13, 19c]
I-6
|
| 33391 |
varkensstal, varkenshok |
varkensstal:
vɛ̄.rǝkǝs[stal] (Q199p Moelingen)
|
De stal of het deel van de stal waarin zich de varkenshokken bevinden. Doorgaans wordt er geen onderscheid gemaakt in de aanduiding van de stal in de zin van het gebouw of deel daarvan en in die van het hok, de houten constructie waarin de varkens zich bevinden. De opgaven waarbij wèl is aangegeven dat zij betrekking hebben op het houten hok, staan achter in het lemma bijeen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.3). Zie ook de plattegronden van de stallen in paragraaf 1.2. [N 5A, 60a en 60b; N 5, 105c; A 10, 9d en 9e; L 38, 27; S 39 en 50; monogr.]
I-6
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krē̜ ̞p (Q199p Moelingen)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 22648 |
vastenavond |
vastavond:
vastōāvond (Q199p Moelingen),
vastoͅ:vənt (Q199p Moelingen)
|
vastenavond [RND] || Vastenavond. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
fɛxtə (Q199p Moelingen),
zich houwen:
Se battre.
zich howə (Q199p Moelingen)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND]
III-3-1
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bīstǝ (Q199p Moelingen),
vee:
vi (Q199p Moelingen),
vī (Q199p Moelingen)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 24262 |
veer |
veer:
vaêr (Q199p Moelingen)
|
veer, veder [Willems (1885)]
III-4-1
|