e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Molenbeersel

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
natuurlijke waterloop beek: bēk (Molenbeersel) Natuurlijke, smal stromende waterloop. [N 27, 25; N 27, 24; A 2, 48; A 10, 21; A 20, 1d; A 20, 1c; AGV, m1; L 24, 17; L 24, 27; L 33, 10; L 37, 15; R I, 23; S 33; monogr.] I-8
nauwgezet; nauwgezet persoon secuur: səkūūr (Molenbeersel), éé is səkūūr (Molenbeersel) Hij is op zijn punt - sekuur (a.gezegd v.e. persoon; b.v.e. werk) [RND] III-1-4
navel navel: navel (Molenbeersel), nāvəl (Molenbeersel) Navel (Fr. nombril). [ZND 05 (1924)] III-1-1
neef neef: nef (Molenbeersel) neef [ZND 11 (1925)] III-2-2
negenoog negenoog: neugenauch (Molenbeersel, ... ), nēgənouch (Molenbeersel, ... ) negenoog (bloedzweer, fr. juroncle) [ZND 05 (1924)], [ZND 05 (1924)] III-1-2
nek nek: nɛk (Molenbeersel) Zie afbeelding 2.12. [JG 1a, 1b] I-9
nemen, pakken nemen: nēmən (Molenbeersel) nemen [ZND 25 (1937)] III-1-2
nerfkant harenkant: hø̜rkanjtj (Molenbeersel) De kant van de huid waar het haar heeft gezeten. [N 60, 3a; N 60, 3c; N 36, 2a] II-10
nestverlater vlugjong: vluk jong (Molenbeersel) jonge vogel in staat uit te vliegen [ZND 36 (1941)] III-4-1
neus neus: naas (Molenbeersel), nās (Molenbeersel, ... ) Neus (mann. of vr.), een fijn neusje. [ZND 05 (1924)] || Zijn neus snuiten. [ZND 07 (1924)] III-1-1