| 17623 |
gebit |
gebeet:
gǝbē.t (L319p Molenbeersel)
|
Het geheel van alle tanden en kiezen van een paard. [JG 1a, 1b; N 8, 17 en 18b]
I-9
|
| 18144 |
gebrekkig |
gebrekkelijk:
gəbrīəkələk (L319p Molenbeersel)
|
een gebrekkig mens [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 22436 |
gebruik |
manier:
meneer (L319p Molenbeersel)
|
Dat is zo het gebruik (de woonte, enz.). [ZND 23 (1937)]
III-3-2
|
| 18916 |
gedwee |
zacht:
ook materiaal znd 23, 69; znd 35, 49
za̞xt (L319p Molenbeersel)
|
gedwee [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 24150 |
geelgors |
gele schrijver:
gele schrijver (L319p Molenbeersel),
gele schrijver (gew.uitspr.) (L319p Molenbeersel),
gele schrijverd:
gele schrjievert (L319p Molenbeersel)
|
geelgors
III-4-1
|
| 29054 |
geer |
refel:
ręjfǝl (L319p Molenbeersel)
|
Een naar boven spits uitlopende lap of strook waarmee men een kledingstuk van onderen verwijdt. [N 62, 11a; L 1a-m; L 23, 71; Gi 1.IV, 17; S 10; monogr.]
II-7
|
| 32746 |
geerakker |
ophool:
ǫphōl (L319p Molenbeersel)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|
| 20796 |
geeuwhonger |
geeuwhonger:
giəhoͅŋər (L319p Molenbeersel)
|
geeuwhonger [ZND 01 (1922)]
III-2-3
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grāf (L319p Molenbeersel),
sleupje:
slø̄pkǝ (L319p Molenbeersel),
slootje:
slȳǝtjǝ (L319p Molenbeersel),
waterlaat:
wātǝrlǭt (L319p Molenbeersel),
waterlaatje:
wātǝrløtjǝ (L319p Molenbeersel)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 21317 |
gehucht |
gehucht:
gəhøͅXt (L319p Molenbeersel)
|
gehucht [ZND 23 (1937)]
III-3-1
|